Wetsvoorstel inzagerecht medische dossiers

Tot op heden hebben nabestaanden nog geen wettelijk recht op inzage in het medisch dossier bij overlijden van een patiënt. Met een op 13 juli 2018 ingediend wetsvoorstel, ter wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zou hier verandering in moeten komen. Naast dat het wetsvoorstel de positie van de patiënt versterkt en verduidelijkt, zou het namelijk ook zorgen voor een wettelijke basis waarin nabestaanden, onder bepaalde omstandigheden, recht hebben op inzage in het medisch dossier van een overleden patiënt.

Nabestaanden kunnen om uiteenlopende redenen behoefte hebben om inzage in het medisch dossier van een overledene te krijgen. Uitgangspunt is echter het medisch beroepsgeheim, waardoor een arts zonder toestemming van de patiënt geen inzage in het dossier mag geven. Het beroepsgeheim, vastgelegd in art. 7:457 BW, geldt onverkort na het overlijden van de patiënt. Dit betekent dat de patiënt bij leven toestemming moet hebben gegeven voor inzage in het medisch dossier na overlijden.

Rechtspraktijk
Ondanks dat er (nog) geen wettelijk inzagerecht na overlijden bestaat, zijn in de jurisprudentie gronden ontwikkeld waarop nabestaanden, in bijzondere gevallen, toch inzage gegeven wordt in het medisch dossier van de overleden patiënt. Het medisch beroepsgeheim wordt dan doorbroken.

Een van deze gronden is de veronderstelde toestemming. Nabestaanden dienen concrete aanwijzingen aan te voeren om de veronderstelde toestemming van de overledene aannemelijk te maken, en moeten aantonen dat zij een rechtmatig belang bij inzage hebben. Een andere grond die toegepast wordt in de rechtspraktijk is het aanwezig zijn van een zwaarwegend belang van de nabestaande, welke het beroepsgeheim zou ‘overrulen’.

Bovengenoemde gronden worden soms als alternatieve en soms als cumulatieve voorwaarden toegepast voor het recht op inzage. Eenduidige jurisprudentie ontbreekt, waardoor het onduidelijk is wanneer nabestaanden precies recht hebben op inzage in het medisch dossier na overlijden.

Wetsvoorstel
Het wetsvoorstel probeert deze onduidelijkheid weg te nemen door in de wet gronden op te nemen wanneer, en onder welke voorwaarden, nabestaanden recht hebben op inzage in het medisch dossier van een overleden patiënt. Bij vormgeving van de wet moet een evenwicht worden gevonden tussen enerzijds de gerechtvaardigde belangen van nabestaanden om een dossier van een overleden patiënt in te kunnen zien, en anderzijds de belangen van de patiënt die met het beroepsgeheim van de hulpverlener wordt beschermd.

Volgens het wetsvoorstel bestaat inzagerecht voor nabestaanden als de overleden patiënt bij leven toestemming heeft gegeven voor inzage na overlijden, als de nabestaande een mededeling van de zorgaanbieder heeft ontvangen naar aanleiding van een incident op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz), en tot slot wanneer de nabestaande een zwaarwegend belang heeft bij inzage.

Kritiek op wetsvoorstel
In het advies van de Raad van State worden de meeste vraagtekens gezet bij het feit dat de voorwaarden in het wetsvoorstel niet overeenkomen met de gronden die thans in de rechtspraktijk worden toegepast. Zo is het leerstuk van de veronderstelde toestemming niet in het wetsvoorstel opgenomen. Hierdoor zou het wetsvoorstel leiden tot een beperking van het inzagerecht zoals dat in de huidige jurisprudentie is vormgegeven.

In de memorie van toelichting wordt duidelijk gemaakt dat er bewust voor is gekozen om de grond van veronderstelde toestemming niet op te nemen in de wet. Er zou namelijk weinig jurisprudentie aanwezig zijn die op deze grond inzage kan geven, het begrip zou in de praktijk leiden tot uitvoerings- en interpretatieproblemen, en bovendien zou de rechtspraak op dit punt niet eenduidig zijn.

Volgens de memorie van toelichting bestaan met dit wetsvoorstel, ondanks het ontbreken van de grond van veronderstelde toestemming, voldoende mogelijkheden voor nabestaanden om inzage te kunnen krijgen in het medisch dossier.