Verzoek arbeidsplaatswijziging vanwege corona door rechter afgewezen

De eerste uitspraak van een rechter over het wijzigen van de arbeidsplaats van een werknemer ten tijde van de coronacrisis is een feit. De betreffende werknemer, werkzaam bij een keukenverkoopzaak, werd door zijn werkgever half april weer opgeroepen om op kantoor de werkzaamheden te hervatten. De werknemer weigerde dit en vroeg de rechtbank Gelderland om op grond van de Wet flexibel werken thuis te mogen werken. De rechtbank Gelderland wees dit verzoek af.

De werknemer is sinds 1 februari 2017 in dienst bij de keukenverkoopzaak. In een e-mail van 15 maart jl. aan de werknemer is toegelicht dat tot nader orde thuis wordt gewerkt, met uitzondering van enkele werknemers. Op 11 april jl. is vervolgens in een WhatsApp-bericht verzocht om vanaf 14 april weer op kantoor te komen werken. De werknemer is op 14 april wel naar kantoor gekomen maar heeft dezelfde middag alsnog toestemming gevraagd om thuis te mogen werken. De werkgever heeft die toestemming verleend onder het voorbehoud dat de werknemer wel naar kantoor zou moeten komen als dat noodzakelijk zou blijken te zijn.

In een e-mail op 6 mei jl. heeft de directie richting alle werknemers gecommuniceerd dat zij vanaf 11 mei weer op kantoor moeten werken. Hierbij heeft de directie tevens de veiligheidsmaatregelen gecommuniceerd. De betreffende werknemer heeft in antwoord hierop aangegeven niet te begrijpen hoe het verzoek om op kantoor te komen werken rijmt met het overheidsadvies. Daarbij heeft de werknemer gevraagd om een aanpassing op het verzoek om weer op kantoor te komen werken. De werkgever heeft vervolgens aangegeven dat de werknemer redelijke opdrachten zoals het verschijnen op de werkplek moet opvolgen.

Thuiswerken

Voor recht heeft de werknemer gevorderd, op grond van de Wet flexibel werken, om thuis te mogen werken. Subsidiair heeft de werknemer een wijziging van de arbeidsplaats, tot 1 september 2020, verzocht. De werknemer baseert haar vordering op het argument dat door de werknemer niet thuis te laten werken, in strijd zou worden gehandeld met onder andere goed werkgeverschap.

De rechter is van mening dat de primaire vordering strandt op grond van het feit dat de Wet flexibel werken niet van toepassing is op de werkgever, omdat deze minder dan tien werknemers heeft. De subsidiaire vordering wordt zowel op processuele gronden als op inhoudelijke gronden afgewezen. Processueel omdat het hier een ingrijpende wijziging in de arbeidsverhouding betreft die, ook nu de vordering in tijd is beperkt tot 1 september 2020, nog altijd maanden zou duren.

Veilige werkplek

Verder is de rechter van mening dat de werkgever voldoende gemotiveerd en onderbouwd heeft dat zij meerdere passende maatregelen heeft genomen om een veilige werkplek te waarborgen. Ook heeft de werkgever uitgelegd dat het nodig is, zeker in deze economische spannende tijd, dat haar werknemers aanwezig zijn op de werkplek. Er moeten bijvoorbeeld pakketten worden aangenomen en bestellingen worden verwerkt. Ook begeleidt de betreffende werknemer een andere collega. De werkzaamheden zijn niet vooraf te plannen.

Tot slot is de rechter van mening dat het zeer algemeen geformuleerde overheidsadvies om zoveel mogelijk thuis te werken niet zover ingrijpt in de rechtsverhouding dat de werknemer hieruit een recht op thuis werken kan afleiden.

Het gehele vonnis is hier te lezen.