Seksuele straatintimidatie juridisch aangepakt

Seksuele intimidatie van vrouwen was dit jaar vaak onderwerp van gesprek. Onlangs deden talloze vrouwen onder de hashtag #metoo hun verhaal over hoe zij seksueel geïntimideerd zijn. Eerder dit jaar gingen ook al bewustwordingsacties over genderongelijkheid viral. Zo startte Noa Jansma de Instagramaccount ‘dearcatcallers’ waarop ze foto’s plaatste van haarzelf met de mannen die haar op straat lastig vielen met seksueel getinte opmerkingen en gedragingen.

Door Pleun van Onzenoort (24), master Rechtsgeleerdheid aan Tilburg University

“De overgrote meerderheid van de vrouwen wordt regelmatig, soms zelfs dagelijks geconfronteerd met straatintimidatie. Vrouwen worden door volslagen onbekende mannen uitgemaakt voor hoer, nagesist of herhaaldelijk en agressief gevraagd of ze seks willen. Dit beperkt de bewegingsvrijheid van meisjes en vrouwen,” zo legt de stichting Stop Straatintimidatie uit op haar website. Met seksuele straatintimidatie wordt een omgeving gecreëerd waarin vrouwen ongelijk worden behandeld en zich onveilig voelen. Onderzoek wijst uit dat straatintimidatie ervoor kan zorgen dat een vrouw haar gedrag aanpast: ze gaat zich bijvoorbeeld anders kleden of mijdt bepaalde plaatsen.

Verbod straatintimidatie
Seksuele straatintimidatie is niet op landelijk niveau strafbaar gesteld. Omdat het veelvoorkomende fenomeen niet altijd onder belediging of bedreiging kan worden geschaard, kan het in veel gevallen niet worden aangepakt. Zo wordt met het woord ‘hoer’ bijvoorbeeld naar de letter een beroep aangeduid en kan het herhaaldelijk vragen om seks naar de letter worden opgevat als een toenaderingspoging.

Dit jaar nam de Gemeente Amsterdam daarom een verbod op straatintimidatie op in haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Vanaf januari 2018 zal Rotterdam volgen met hetzelfde verbod. Ook andere gemeenten hebben een dergelijk verbod op de agenda staan. Dit tot groot genoegen van de Stichting Stop Straatintimidatie, die alle politieke partijen in alle gemeenten binnen Nederland aanspoort om ook maatregelen te nemen. De stichting lanceert daartoe dit jaar haar nieuwe #itsaright campagne: “Straatintimidatie bevindt zich in de politiek niet rechts of links. Het gaat over het recht van ieder individu om in alle vrijheid en veiligheid over straat te gaan,” aldus de stichting.

Lees ook Is #MeToo een issue?

Hoe zit dat nou juridisch, deze strafbaarstelling in een APV?

De bevoegdheid van de gemeente
De gemeente mag op grond van artikel 127 van de Grondwet jo. artikel 147 van de Gemeentewet gemeentelijke verordeningen opstellen, waaronder dus de APV. Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad, naast het vaststellen van een verordening, tevens een straf opleggen wanneer die verordening wordt overtreden. De gemeente dient op grond van het bestuursrecht natuurlijk rekening te houden met de onder- en bovengrens. Deze worden in het kader van straatintimidatie niet overschreden, omdat straatintimidatie — het woord ‘straat’ verraadt het eigenlijk al — enkel in de openbare ruimte kan plaatsvinden (ondergrens) en de strafbaarstelling van straatintimidatie niet bij wet in formele zin is geregeld (bovengrens).

Het lex certa-beginsel en het strafrecht als ‘ultimum remedium’
Wetgeving dient duidelijk te zijn: de burger moet kunnen weten wanneer hij of zij een strafbaar feit pleegt. Bovendien mag het strafrecht alleen als laatste redmiddel worden ingezet. Straatintimidatie heeft een subjectief karakter en is tijd-, plaats- en contextgebonden. Daarom is monitoring, voorlichting en scholing over dit onderwerp net zo belangrijk als de strafbaarstelling.

De strafbepalingen van de gemeente Amsterdam en Rotterdam zijn ruim geformuleerd zodat ingespeeld kan worden op die tijd-, plaats- en contextgebondenheid. Ter verduidelijking heeft de gemeente Amsterdam in haar handhavingsplan bijvoorbeeld wel een lijst van uitingen en gedragingen opgenomen waartegen in ieder geval wordt opgetreden. Onder andere via lesprogramma’s op scholen en een grote publiekscampagne wordt voorlichting gegeven.

Naar een landelijke aanpak?
De vraag rijst of het wel zo wenselijk is dat straatintimidatie enkel op gemeentelijk niveau wordt geregeld, en dat geen sprake is van een landelijke strafbaarstelling in het Wetboek van Strafrecht. Allereerst natuurlijk in het kader van rechtsgelijkheid: op dit moment wordt een vrouw in Amsterdam meer beschermd dan een vrouw in bijvoorbeeld Utrecht. Onder juristen bestaat bovendien discussie over de vraag of bij straatintimidatie de vrijheid van meningsuiting aan de orde is, die alleen bij wet in formele zin mag worden beperkt en dus niet in een APV. Is dat laatste het geval, dan zou dat betekenen dat de APV juridisch niet houdbaar is.

Tot slot bepaalt artikel 40 van het Verdrag van Istanbul, waarbij ook Nederland een lidstaat is, dat de lidstaten “wetgevende of andere maatregelen [dienen te nemen] die nodig zijn om te waarborgen dat elke vorm van ongewenst verbaal, non-verbaal of fysiek seksueel getint gedrag met het doel of gevolg de waardigheid van een persoon te schenden, in het bijzonder door het creëren van een intimiderende, vijandige, onterende, vernederende of beledigende omgeving, onderworpen is aan strafrechtelijke of andere juridische sanctie.” Nu het fenomeen seksuele straatintimidatie niet altijd onder belediging of bedreiging te scharen is, lijkt Nederland niet te voldoen aan deze verdragsbepaling.

Voormalig PvdA-kamerlid Ahmed Marcouch bracht op 15 februari 2017 ter consultatie een initiatiefwetsvoorstel in tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met het strafbaar stellen van seksuele intimidatie. Het staat dus wel op de agenda van de Tweede Kamer, maar of die landelijke aanpak er daadwerkelijk komt is dus nog even afwachten.

Wil je meewerken aan een (juridische) aanpak van straatintimidatie?
Stuur een dan een bericht naar stop@straatintimidatie.nl.

Lees ook De juridische kant van #metoo


Ook met een gastartikel op Het Rechtenstudentje verschijnen? Kijk dan hier voor meer informatie!

Reacties

reacties