Ontslagvergoeding van 64.000 euro voor anderhalve maand werk

Een 47-jarige vrouw heeft recht op 64.000 euro ontslagvergoeding na een werkperiode van anderhalve maand. Dit heeft de kantonrechter in een recente uitspraak bepaald. De werkgever had namelijk geen schriftelijk proeftijdbeding opgesteld.  

De vrouw werd in januari 2021 aangenomen bij het betreffende juristenkantoor. Hier ging zij een managementfunctie vervullen waarvoor zij maandelijks ruim 8.000 euro zou krijgen. De indiensttreding was gebaseerd op een mondelinge arbeidsovereenkomst. Na ontvangst van het aanbod had de vrouw haar vorige baan per direct opgezegd.

In februari 2021 – een maand nadat de vrouw in dienst was getreden – kregen partijen onenigheid over de arbeidsvoorwaarden. Het bedrijf wilde namelijk een schriftelijk contract aanbieden voor de duur van drie maanden, terwijl het mondelinge contract volgens de vrouw was aangegaan voor onbepaalde tijd. De vrouw ging hier dus niet mee akkoord. Als reactie ontsloeg het bedrag haar per direct. Diezelfde middag ontving zij een e-mail van het bedrijf waarin haar ontslag werd bevestigd met de notitie dat dit in haar proeftijd was gebeurd. De vrouw was echter van mening dat er helemaal geen proeftijd van twee maanden was overeengekomen. Tevens ontving zij een maand later een ondertekende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een proeftijd. De handtekening had zij echter niet zelf gezet. De vrouw stapte daarom naar de rechter en vorderde een billijke vergoeding wegens haar ontslag.

De uitspraak

Alvorens de omvang van de vergoeding kon worden bepaald, diende de kantonrechter eerst te bepalen of er wel een grondslag was voor de gevorderde vergoeding. Op grond van artikel 7:681 lid 1 sub a BW kan de kantonrechter een billijke vergoeding toekennen, indien de werkgever de arbeidsovereenkomst in strijd met de proeftijd heeft opgezegd. De kantonrechter oordeelde dat hier inderdaad sprake is van strijd met de wet. Partijen kunnen een proeftijdbeding immers alleen schriftelijk overeenkomen. In casu was de proeftijd echter mondeling overeengekomen en was deze dus nietig. Nu er geen sprake was van een proeftijd kon er ook geen sprake zijn van een rechtsgeldige opzegging.  Voor de omvang van de vordering baseerde de rechter zich grotendeels op de ‘ernstig verwijtbare handeling’ die het ontslag op staande voet vormde. Het juristenkantoor had de vrouw immers zonder pardon ontslagen. Zodoende besloot de rechter om de vrouw ontslagvergoedingen toe te kennen.

De kantonrechter wees de primaire vordering van de vrouw daarbij gedeeltelijk toe. Hij veroordeelde het bedrijf uiteindelijk tot betaling van ruim 64.000 euro.