Nederlandse Staat aansprakelijk voor download-kwestie

De rechter heeft de Nederlandse Staat aansprakelijk gesteld omdat de regering vóór het downloadverbod zei dat downloaden uit een illegale bron mocht, tegen het EU-recht in. Maar óf er schade is, en hoeveel, moet nog worden onderzocht in een losse zaak. Tot slot hebben de (civiele) rechters eisers erop gewezen dat zij niet de juiste instantie zijn om te beantwoorden of De Staat adequaat strafrechtelijk heeft gehandeld.

Sinds 10 april 2014 kent Europa het ACI Adam arrest, het arrest die het downloadverbod in leven riep (althans, uitlegde). Daarvoor ging de maatschappij ervan uit dat downloaden uit illegale bron mag. Volgens de eisers is dat mede te wijten aan de uitspraken gedaan door bewindslieden van de Nederlandse staat. “[eisers] betogen dat de Staat toen een klimaat heeft doen ontstaan waarin downloaden uit illegale bron van auteursrechtelijk beschermd materiaal als verworven recht werd beschouwd.” De rechtbank gaat hier ten dele in mee.

Allereerst kent Nederland artikel 71 Grondwet. Hierin staat dat dat die bewindslieden niet op het matje geroepen kunnen worden om wat zij zeggen binnen de Staten-Generaal. Dat bevestigt de rechtbank. Maar, uitspraken in het publieke domein, de media, kunnen wel worden meegenomen in de overweging of de staat onrechtmatig heeft gehandeld.

Máár de vraag óf de uitspraken onrechtmatig zijn beantwoord de rechtbank aan de hand van alle relevante omstandigheden van het geval zoals de woordkeuze, de wijze waarop en de context waarin de uitingen zijn gedaan. Volgens de rechtbank is, mede door het herhalende karakter en het ‘niet voor meerdere uitleg vatbare’ berichten dat de regering van mening is dat downloaden mag, en dat als op basis daarvan gehandeld wordt, een inbreuk op de rechten van de eisers. Hierom is kortweg De Staat onrechtmatig bezig geweest.
De rechtbank stelt wel een grens aan de onrechtmatigheid van De Staat. Ze zijn enkel aansprakelijk voor schade als gevolg van diens uitspraken. Ten tijde van de uitspraak geeft de rechtbank aan dat er voldaan is aan de conditio sine qua non vereiste, maar dat niet uitgesloten kan worden dat bij nader onderzoek naar de schade dit mogelijk wel ontbreekt.

Tot slot heeft de rechtbank opgemerkt zich niet te kunnen uitlaten of het niet overgaan tot strafrechtelijk vervolgen van auteursrechteninbreuk onrechtmatig is. Zij geeft aan dat eerst bekeken dient te worden middels een artikel 12 procedure of vervolging plaats had moeten vinden.