Misbruik van het faillissementsrecht

Nu er veel winkelketens failliet gaan, recent nog Intertoys, ligt misbruik van het faillissementsrecht op de loer. Rechters zijn bang dat het faillissement gebruikt wordt om goedkoop te reorganiseren door werkgevers. Veel winkelketens maken namelijk na het faillissement een doorstart.

Bij een faillissement kan een curator werknemers zonder belemmering ontslaan. Een werkgever kan daar eenvoudig misbruik van maken door na het faillissement een doorstart te maken zonder de werknemers waarmee hij niet meer verder wil. Rechtbanken en curatoren zijn daarom steeds alerter om dit soort misbruiksituaties te voorkomen.

Reorganisatie

Als een bedrijf wil reorganiseren kost dit meestal veel geld. In Nederland zijn werknemers goed beschermd, zij kunnen niet zomaar worden ontslagen, zelfs niet bij ziekte of zwangerschap. Ook moet er bij een reorganisatie gewerkt worden volgens het afspiegelingsbeginsel. Dit houdt in dat de groep ontslagen medewerkers een afspiegeling moet zijn van alle personeelsleden, zodat niet een bepaalde groep de dupe wordt van de reorganisatie. Er worden dus zowel jongere als oudere werknemers ontslagen. Vooral de oudere werknemers kosten vaak veel geld doordat zij al langer in dienst zijn en dus een hogere ontslagvergoeding krijgen.

Misbruik

Bij een faillissement bestaat het recht op een ontslagvergoeding voor de medewerkers niet. Dit betekent dat de oudere medewerkers, in vergelijking tot de situatie waarin een normale reorganisatie plaatsvindt, ‘goedkoop’ ontslagen kunnen worden. Ook andere ontslagverboden zoals bijvoorbeeld het ontslagverbod voor zieke en zwangere medewerkers, gelden bij een faillissement niet. Misbruik van deze ‘voordelen’ is dan ook zeker geen ondenkbare situatie, en rechters moeten dan ook alert zijn om dergelijk misbruik tegen te gaan.

Hoogleraar insolventierecht Reinout Vriesendorp ontkracht dat er structureel misbruik gemaakt zou worden van de faillissementswetgeving. Hij stelt dat rechters en curatoren tegenwoordig erg alert zijn op misbruik, en dat werkgevers zich dus ook goed moeten indekken om daadwerkelijk voordelen te behalen uit een faillissement. Ook kwam uit eerdere faillissementszaken kwam naar voren dat gedupeerde ontslagen werknemers vaak toch nog een ontslagvergoeding kregen. Hieruit blijkt dat er, in die gevallen, geen misbruik is gemaakt van de bevoegdheden van de curator. Ook is Vriesendorp van mening dat een doorstart met een deel van de werknemers alsnog beter is dan niets. Bedrijven gaan ten slotte niet voor niets failliet, en met een doorstart blijft er tenminste toch iets van het oude concern in stand.