Minderjarigheid wordt meegewogen bij opslag DNA-profiel

De minderjarigheid van veroordeelden moet worden meegewogen bij de afweging van het wel of niet aanmaken van een DNA-profiel. Dit oordeelde de Hoge Raad in zijn uitspraak op de vordering tot cassatie in het belang van de wet. Het gaat hier om de juiste interpretatie en toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Advocaat-generaal Spronken diende een vordering tot cassatie in het belang van de wet in ter uitleg van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Zo’n uitspraak door de Hoge Raad is niet bindend voor de partijen in het geding, de uitspraak van de eerdere rechter blijft nog gelden. De uitspraak in cassatie gaat over hoe de wettelijke regeling moet worden uitgelegd zodat rechters, maar ook burgers, hierover meer duidelijkheid verkrijgen.

Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA-V)

De Wet DNA-V regelt wanneer een DNA-bevel moet worden afgegeven aan veroordeelden. Volgens de Wet DNA-V is de officier van justitie verplicht een DNA-bevel af te geven aan veroordeelden die een feit hebben begaan waarop vier jaar of meer gevangenisstraf is gesteld (voorlopige hechtenis-feiten) en van wie nog geen DNA-profiel is opgeslagen in de DNA-databank. Met dit DNA-bevel kan celmateriaal worden afgenomen bij de veroordeelde om een DNA-profiel te maken dat wordt opgeslagen in de DNA-databank.

Er zijn echter twee uitzonderingen in de wet opgenomen (art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-V) waarop de veroordeelde zich kan beroepen, waardoor geen DNA-profiel mag worden aangemaakt. Dit is wanneer het DNA-profiel niet van betekenis is voor de opsporing van het feit waarvoor de betrokkene veroordeeld is of wanneer niet te verwachten is dat de veroordeelde nog een keer een strafbaar feit zal begaan.

Als de veroordeelde zich op één van deze uitzonderingsgronden wil beroepen dan zal hij of zij tegen het DNA-bevel in bezwaar moeten gaan door een bezwaarschrift in te dienen bij de rechter. De rechter toetst vervolgens of de grond van toepassing is.

DNA-profiel en minderjarigheid

Omdat de rechtspraak erg verdeeld was over hoe om te gaan met de minderjarigheid van een veroordeelde bij het toetsen van de uitzonderingsgronden is cassatie ingesteld. De rechtbanken oordeelden namelijk verschillend over de vraag of de minderjarigheid van een veroordeelde behoort te worden meegewogen. Zo vonden sommige rechtbanken dat het maken van een DNA-profiel niet in verhouding staat tot de ernst van de strafbare feiten en de jeugdige leeftijd van veroordeelden, maar de meningen verschilden.

Ook oordeelde het VN-Mensenrechtencomité in 2017 dat de Wet DNA-V in strijd is met art. 17 IVBPR, omdat de wet onvoldoende maatwerk en waarborgen bevat voor minderjarigen. Volgens het comité moet per zaak worden bekeken of de minderjarigheid moet worden meegewogen.

Oordeel van de Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad moet de minderjarigheid van de veroordeelde worden meegewogen bij de afweging of sprake is van een uitzonderingsgrond zoals genoemd in art. 2 lid 1 onder b Wet DNA-V. Zo kan de rechter beoordelen of het verwerken van een DNA-profiel wel in verhouding staat tot de ernst van het feit en of er een kleine kans op herhaling is.