Meewerken aan DNA-test verplicht om biologisch vaderschap vast te stellen

De Hoge Raad heeft afgelopen 11 maart geoordeeld dat het recht van een kind om informatie te verkrijgen over de eigen biologische afstemming prevaleert boven het recht van de potentiële ouder om zijn afstamming verborgen te houden, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. De vader is in beginsel verplicht mee te werken aan deze DNA-test, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden van toepassing zijn.

De zaak werd aangespannen door een man die graag wilde vaststellen wie zijn biologische vader is. Hij had zijn vermoedelijke vader meermaals gevraagd een DNA-test te doen, maar de man weigerde. De vermoedelijke vader had voorafgaand aan de geboorte van deze man een relatie met zijn moeder.

Rechtbank

In eerste aanleg oordeelde de rechtbank dat de vermoedelijke vader verplicht was medewerking te verlenen aan de DNA-test. De rechtbank overwoog dat het belang van het kind om te weten wie de vader is zwaarder weegt dan het belang van de vader om dat verborgen te houden. In deze uitspraak was al rekening gehouden met de inbreuk op de lichamelijke integriteit. Immers: alleen afname van wangslijmvlies is nodig voor het doen van een DNA-test. De inbreuk zou zeer gering zijn, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Het hof oordeelde anders dan de rechtbank. Volgens het hof is het uitgangspunt inderdaad dat het belang van het kind zwaarder weegt, maar daar kunnen wel uitzonderingen op van toepassing zijn. De vermoedelijke vader van de man was al oud, en het verplichten van een DNA-test zou belastend zijn voor hem. Bovendien had de man de informatie niet nodig voor bijvoorbeeld een erfelijke ziekte. Ook had de man geen behoefte aan contact met de familie. Zodoende wees het hof de vordering van de man af.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad staan twee grondrechten tegenover elkaar: het recht van een kind om te weten van wie het afstamt, en het recht van de ouder om dat verborgen te houden én niet onvrijwillig een DNA-test af te nemen. Het recht van het kind op informatie over de eigen (biologische) afstamming is een fundamenteel recht dat wordt beschermd door internationale mensenrechtenverdragen, onder meer door art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De mogelijkheid om informatie te verkrijgen over de eigen afstamming is van belang voor het vormen en ontwikkelen van een eigen identiteit en persoonlijkheid. Hiertegenover staat het recht van de potentiële ouder om de afstammingsrelatie verborgen te houden. Indien het recht van een persoon om te weten van wie hij afstamt, botst met het recht van de mogelijke ouder om dat verborgen te houden dan wel niet mee te werken aan een DNA-test, moet volgens de rechtspraak van het EHRM door middel van een belangenafweging worden vastgesteld welk van deze rechten prevaleert, waarbij aan de lidstaten een margin of appreciation toekomt.

De Hoge Raad oordeelt dat het recht van het kind om te weten door wie het is verwerkt prevaleert boven het recht van de moeder om zulks tegenover haar kind verborgen te houden én boven het recht van een persoon van wie aannemelijk is dat hij de biologische vader van het kind kan zijn.  Daarom heeft in de verhouding tussen kind en de vermoedelijke vader te gelden dat het recht van het kind op het verkrijgen van informatie over de eigen biologische afstamming voorgaat, ook indien deze informatie moet worden verkregen door middel van een bij de vermoedelijke biologische vader af te nemen DNA-test. Hier kunnen uitzonderingen op worden gemaakt, maar de uitzonderingen die het hof in zijn uitspraak heeft benoemd zijn onvoldoende gemotiveerd.