Meenemen koekjes uit de kantine: ontslag op staande voet?

Een productiemedewerker is door de werkgever beschuldigd van diefstal van een pak koekjes. De werkgever heeft de productiemedewerker op staande voet ontslagen. Anders dan de kantonrechter is het gerechtshof van oordeel dat de medewerker niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en dus niet op staande voet ontslagen had mogen worden.

Weggenomen koekjes

Sinds 2001 is de medewerker werkzaam als productiemedewerker binnen het bedrijf. De medewerker heeft een pak koekjes uit de kantine meegenomen. Na ontdekking van de meegenomen koekjes is hij ter verantwoording geroepen. De medewerker gaf toe dat hij de koekjes had meegenomen, maar ontkende dat hij het pak koekjes mee naar huis had willen nemen.

Tijdens een vervolggesprek is de medewerker nogmaals aangesproken en hij werd vervolgens beschuldigd van diefstal. Dit heeft uiteindelijk geleid tot ontslag op staande voet. De redenen van dit ontslag is het in de tas stoppen van een pak koekjes waarvan hij wist dat die van iemand anders waren en het geven van onjuiste en tegenstrijdige verklaringen over de plek waar hij de koekjes had gelegd. Ook zou de medewerker boos en agressief hebben gereageerd tijdens en vlak na het gesprek hierover, waardoor het vertrouwen onherstelbaar is beschadigd.

Procedure bij de kantonrechter

Volgens de kantonrechter was het ontslag op staande voet terecht, omdat er sprake was van een dringende reden. De medewerker heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de plaats waar hij de koekjes zou hebben weggelegd. Dit heeft de indruk gewekt dat hij iets te verbergen had. Uit de schriftelijke verklaringen blijkt dat de medewerker in het tweede gesprek heeft erkend dat hij de koekjes in zijn tas had gedaan om deze mee naar huis te nemen. Daarnaast blijkt uit de schriftelijke verklaringen dat de medewerker zich agressief en intimiderend heeft gedragen. Uit de gehele feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat de medewerker ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.

Procedure in hoger beroep

Voor de vraag of er sprake is van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW moeten volgens vaste rechtspraak de omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. Tot de omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden voor ontslag wordt bij de werkgever neergelegd.

Volgens het gerechtshof is er in deze situatie geen dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt. De medewerker heeft niet ernstig verwijtbaar gehandeld. Dit betekent dat de medewerker in dit geval recht heeft op een transitievergoeding (artikel 7:673 BW) en een billijke vergoeding (artikel 7:681 BW). Bij de vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding is onder meer rekening gehouden met het dienstverband dat negentien jaar heeft geduurd, de medewerker 55 jaar was en dat hij nog geen nieuw werk had gevonden. Ook wordt uitgegaan dat zonder het ontslag op staande voet de arbeidsovereenkomst op korte termijn zou zijn ontbonden op grond van verwijtbaar gedrag of een verstoorde arbeidsrelatie.