Lookalike Max Verstappen tóch inbreuk op portretrecht

In de zaak tegen online supermarktketen Picnic heeft autocoureur Max Verstappen onlangs alsnog gelijk gekregen van de Hoge Raad. Het gebruik van een lookalike van Verstappen in een ludieke reclame wordt gezien als een inbreuk op zijn portretrecht.

In 2016 kwam Picnic met een reclamefilmpje waarin een lookalike van Max Verstappen te zien was, die met een bestelbusje van Picnic een bezorgrondje deed. De reclame was een duidelijke inhaker op de televisiereclame van Jumbo, waarbij Verstappen met zijn F1-wagen de boodschappen afleverde. Verstappen stapte naar de rechter en eiste 350.000 euro schadevergoeding, omdat Picnic volgens hem zijn portretrecht had geschonden (artikel 21 Auteurswet).

Rechtbank en gerechtshof

In eerste aanleg kreeg Max gelijk van Rechtbank Amsterdam en werd een schadevergoeding van 150.000 euro toegekend. Zowel Picnic als Verstappen ging tegen deze uitspraak in hoger beroep: Picnic vond niet dat zij het portretrecht van Verstappen geschonden had en Verstappen vond de schadevergoeding te laag.

Zoals in een eerder artikel te lezen is, oordeelde het gerechtshof in hoger beroep anders dan de uitspraak van de rechtbank: het portretrecht strekt zich volgens het gerechtshof niet uit tot parodieën waarvan duidelijk is dat het niet om de persoon zelf gaat. Een lookalike was dus toegestaan en kon niet worden aangemerkt als een ‘portret’ in de zin van artikel 21 Auteurswet. Het publiek kon immers duidelijk zien dat het niet om de echte Verstappen ging, maar om een persiflage. Verstappen ging hiertegen in cassatie.

Hoge Raad: lookalike is óók inbreuk

Zeven jaar na het uitkomen van de reclame heeft de Hoge Raad een definitief oordeel geveld en heeft Verstappen alsnog gelijk gekregen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een afbeelding van een lookalike onder bepaalde omstandigheden een portret van de uitgebeelde persoon kan zijn en een inbreuk op het portretrecht kan opleveren. Dat is het geval indien de uitgebeelde persoon ‘in de lookalike wordt herkend en deze herkenning door bijkomende omstandigheden is vergroot’. Een voorbeeld van dat laatste is door het dragen van dezelfde kleding.  In tegenstelling tot het hof oordeelt de Hoge Raad dat daarbij niet van belang is of het publiek begrijpt dat het om een lookalike gaat en niet om de uitgebeelde persoon zelf.

Met het oordeel van de Hoge Raad zal de eis van Verstappen om een schadevergoeding opnieuw worden behandeld door het gerechtshof in Den Haag. Het gerechtshof  zal dus nog moeten bepalen of Verstappen daadwerkelijk recht heeft op schadevergoeding en hoe hoog dat bedrag dan zal zijn.