Jos B. en de kwestie moord vs. doodslag

Jos B. niet langer verdacht van moord maar van doodslag’ en ‘Verdenking tegen Jos B. afgezwakt tot doodslag’. Vele nieuwssites plaatsten eerder deze maand een artikel met dergelijke kop. Wat was er aan de hand en hoe zit het precies?

Door Fenna Scheltinga, masterstudent strafrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen

Als er twee juridische begrippen zijn waar verwarring over bestaat, dan zijn dat wel moord en doodslag. Doodslag, strafbaar gesteld in artikel 287 Wetboek van Strafrecht (Sr), is “opzettelijk een ander van het leven beroven”. De strafbaarstelling voor moord in artikel 289 Sr luidt “opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven beroven”. Voor een veroordeling voor moord moet bewezen worden dat er voorafgaand aan de uitvoering een “plan” was. Er moet een moment van kalm overleg of nadenken zijn geweest, waarna alsnog is overgegaan tot handelen.

Voorlopige hechtenis

Jos B., verdachte in de zaak-Nicky Verstappen, zit sinds zijn aanhouding in voorlopige hechtenis. Om te voorkomen dat mensen onnodig lang in voorarrest zitten, bevat het Wetboek van Strafvordering (Sv) een uitgebreid stelsel van waarborgen. De gevangenhouding kan alleen worden bevolen door de rechtbank en dit kan slechts op vordering van de officier van justitie. De duur wordt bepaald door de rechtbank, met een maximum van negentig dagen. Daarna zal de officier van justitie opnieuw een vordering moeten indienen bij de rechtbank om de gevangenhouding te verlengen.

Vordering van de officier

Hoe werkt dat in praktijk? De officier vraagt de rechtbank de gevangenhouding te bevelen voor een x-aantal dagen. Dit verzoek bestaat uit een aantal elementen. Ten eerste moet worden aangegeven voor welke strafbare feiten de gevangenhouding wordt verzocht. Dit hoeven niet alle feiten te zijn waarvoor een verdenking bestaat; artikel 67 lid 1 Sv bepaalt voor welke strafbare feiten voorlopige hechtenis toegestaan is. Voor elk van die feiten moeten de ‘ernstige bezwaren’ uiteengezet worden, een soort voorlopig bewijs. Omdat het opsporingsonderzoek nog loopt en de inhoudelijke behandeling van de strafzaak nog niet is gestart, is niet vereist dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Er moeten voldoende concrete vermoedens zijn voor betrokkenheid bij het strafbare feit. Tot slot moeten er gronden zijn voor voorlopige hechtenis, deze staan limitatief opgesomd in artikel 67a Sv.

Strafbare feiten en ernstige bezwaren

De rechtbank beslist op vordering van de officier en kan niet zelf feiten toevoegen. Dit past in de vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel: alleen het Openbaar Ministerie (OM) bepaalt wie waarvoor wordt vervolgd. Wel kan de rechtbank de vordering geheel of ten dele afwijzen of voor minder dagen toewijzen. Dit is in de zaak Jos B. gebeurd. De officier had de verlenging van de gevangenhouding onder meer op grond van moord en doodslag gevorderd. De rechtbank besloot echter dat zij op dit moment niet genoeg ernstige bezwaren ziet voor moord en dat ze de vordering op die grond niet toewijst. Omdat tevens doodslag in de vordering stond, en hiervoor wel voldoende ernstige bezwaren zijn gevonden, is de gevangenhouding van B. wel verlengd.

Het OM is bij het opmaken van de definitieve tenlastelegging niet gebonden aan de feiten waarvoor iemand in voorlopige hechtenis zit. Als in de komende weken nieuw bewijs wordt gevonden voor moord, dan kan ook al bij de verlenging van de gevangenhouding worden gevorderd dat deze mede op grond van moord wordt bevolen (artikel 67b Sv).

Het is dus geenszins uit te sluiten dat de tenlastelegging straks ook moord bevat. Het OM blijft verantwoordelijk voor het formuleren van de verdenking, het is aan de rechtbank om de omvang van een eventuele veroordeling te bepalen. Het is daarom, zoals de krantenkoppen beweren, onjuist om te stellen dat Jos B. niet meer wordt verdacht van moord.

Beslissing door de rechtbank

De raadkamer neemt, na een besloten zitting, de beslissing over de gevangenhouding. Omdat de eisen aan ‘ernstige bezwaren’ lager zijn dan aan ‘wettig en overtuigend bewijs’, zal de rechtbank zich zelden uitgebreid inhoudelijk uitlaten over het bewijs. De beslissingen over de voorlopige hechtenis zijn vaak kort, maar er staan wel wat voorbeelden op rechtspraak.nl. In deze beslissing van Rechtbank Zeeland-West-Brabant (ECLI:NL:RBZWB:2018:5033) is zichtbaar dat enkel wordt gekeken naar de vordering van de officier en dat het wettelijke model wordt nagelopen. In een andere beslissing van die rechtbank (ECLI:NL:RBZWB:2018:4829) is te zien dat de opvatting over de ernstige bezwaren kan veranderen gedurende het opsporingsonderzoek. In een beslissing van Rechtbank Maastricht (ECLI:NL:RBMAA:2012:BX2852) gebeurde iets soortgelijks als bij Jos B.: de rechtbank achtte de ernstige bezwaren onvoldoende voor de primaire verdenking, maar wel voldoende voor de subsidiaire verdenking, waardoor de gevangenhouding wel werd verlengd. Bij de beslissing van de Rechtbank Haarlem (ECLI:NL:RBHAA:2008:BC9324) is te zien dat opheffing van de voorlopige hechtenis moet volgen wanneer er voor zowel moord als doodslag niet voldoende ernstige bezwaren worden aangenomen.