Hoge Raad bevestigt: arts mag euthanasie verlenen bij vergevorderde dementie

De Hoge Raad heeft op 21 april een uitspraak gedaan waar mensen met dementie, familieleden en artsen met spanning op hebben gewacht. De zaak waarin uitspraak werd gedaan draait om een straf- en tuchtzaak die waren aangespannen tegen een verpleegarts die euthanasie verleende aan een dementie-patiënte. Het oordeel: een arts mag euthanasie verlenen bij mensen met vergevorderde dementie, mits voldaan wordt aan alle eisen die de wet met betrekking tot euthanasie stelt. 

De uitspraak van de Hoge Raad heeft betrekking op de zogeheten ‘koffie-euthanasie’. In 2016 paste een Haagse verpleeghuisarts euthanasie toe bij een 74-jarige vrouw met diepe dementie. Nog voordat de vrouw zwaar dement werd, had zij in een wilsverklaring vast laten leggen dat ze niet verder wilde leven als zij vanwege haar dementie in een verpleeghuis zou moeten worden opgenomen. Toen de vrouw toch in een verpleeghuis belandde, gaf zij wisselende verklaringen over haar doodswens. Het ene moment wilde ze wel sterven, het andere moment niet.

Uiteindelijk paste de verpleeghuisarts euthanasie toe, zonder dat de arts nog met de vrouw had kunnen spreken over haar euthanasieverzoek. Wel had de arts uitgebreid overlegd met de naasten van de vrouw, de verzorgers in het verpleeghuis, de huisarts en twee andere gespecialiseerde artsen. Om te voorkomen dat ze zich zou verzetten, kreeg de vrouw een slaapmiddel in haar koffie. Desondanks moest de vrouw worden vastgehouden omdat ze tijdens de handelingen voor de euthanasie overeind kwam.

Oordeel Hoge Raad strafzaak

De rechtbank oordeelde vorig jaar in de strafzaak tegen de verpleeghuisarts dat de arts zorgvuldig had gehandeld. De arts werd van alle rechtsvervolging ontslagen. Het Openbaar Ministerie is daarop direct naar de Hoge Raad gestapt voor een ‘cassatie in het belang der wet’. Dit deed het OM om duidelijkheid voor familie en artsen in dergelijke zaken te krijgen.

Volgens de Hoge Raad hebben de rechters geen fouten gemaakt in hun beoordeling. Ook wanneer iemand wilsonbekwaam is geworden door voortgeschreden dementie mag een arts aan een eerder opgestelde wilsverklaring gevolg geven. Uiteraard moet er dan wel zijn voldaan aan de eisen die de wet met betrekking tot euthanasie stelt. Zo moet er altijd sprake zijn van uitzichtloos en ondraaglijk lijden. Dat was in het geval van de ‘koffie-euthanasie’ het geval. Als de vrouw nog een gelukkige indruk had gemaakt, dan zou zij ook met een wilsverklaring niet in aanmerking zijn gekomen voor euthanasie.

Zorgvuldigheidseisen bij vergevorderde dementie

De Hoge Raad maakt verder in de uitspraak duidelijk hoe in het geval van vergevorderde dementie aan alle zorgvuldigheidseisen kan worden voldaan. Zo moet er in de wilsverklaring van de dementerende specifiek worden gevraagd om levensbeëindiging wanneer de patiënt als gevolg van vergevorderde dementie wilsonbekwaam wordt. Daarnaast moeten er van tevoren twee onafhankelijke artsen worden geraadpleegd over de vraag of aan het euthanasieverzoek gevolg kan worden gegeven. Tot slot moet de arts zijn ogen open houden voor contra-indicaties. Als de patiënt na het opstellen van de wilsverklaring dingen zegt of gedrag vertoont die strijdig zijn met de verklaring, dan kan dit ertoe leiden dat de arts geen gevolg mag geven aan het euthanasieverzoek.

Oordeel Hoge Raad tuchtzaak

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (CTG) in de zaak van de ‘koffie-euthanasie’. Het CTG had geoordeeld dat de arts niet heeft voldaan aan alle zorgvuldigheidseisen. De Regionale Toetsingscommissie Euthanasie oordeelde in 2016 dat de verpleeghuisarts onzorgvuldig was geweest. Dit omdat de vrouw in haar wilsverklaring had laten opnemen dat zij het moment van euthanasie zelf wilde kiezen. Er stond namelijk in: ‘Wanneer ik daar zelf de tijd rijp voor acht’. De Hoge Raad vindt echter dat het CTG zich niet altijd gebonden hoeft te achten aan het oordeel van de Regionale Toetsingscommissie Euthanasie. Verder is de Hoge Raad van mening dat het schriftelijke verzoek van de patiënt niet alleen moet worden uitgelegd aan de hand van de bewoordingen, maar ook aan de hand van andere omstandigheden waaruit de bedoelingen van de patiënt kunnen worden afgeleid.