Hof Amsterdam: ontslag werkneemster vanwege urinegeur terecht

Volgens het Amsterdamse hof werd een werkneemster van Eurest Services terecht ontslagen omdat ze naar urine rook. Ondanks meerdere waarschuwingen liet de vrouw na om de geur te verhelpen, waardoor ze bot ving in hoger beroep.

De inmiddels ex-werkneemster werkte sinds 2007 in dienstverband bij Eurest Services als receptioniste. Na eerdere  klachten over het functioneren en het gedrag van de vrouw, ontving Eurest Services vanaf 2018 ook klachten over haar persoonlijke hygiëne. Meer specifiek zou de vrouw een urinegeur verspreiden. Volgens stukken in het dossier liet ze zichtbare vervuiling achter op de (rol)stoelen waar ze gebruik van maakte, roken de handdoeken die in haar rolstoel lagen onprettig en ervaarde haar omgeving – zijnde haar collega’s en beveiligers op het werk – geuroverlast.

Naar aanleiding van de klachten werden enkele gesprekken met de vrouw  gevoerd, waarin naar voren kwam dat ze kampt met een medisch probleem. Hiervoor was ze reeds in behandeling  bij een specialist, maar verder wilde de vrouw niet over haar problematiek uitweiden. Nadat een functioneringstraject werd gestart vanwege aanhoudende klachten met betrekking tot haar manier van samenwerken en bejegening, werd zij eind 2019 door Eurest Services van haar werkzaamheden vrijgesteld. Eurest Services heeft vervolgens ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van disfunctioneren verzocht (art. 671b lid 1 sub a jo. art. 7:669 lid 3 sub d BW).

De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland gaf de werkgever gelijk. In hoger beroep vorderde de vrouw vernietiging van de uitspraak van de kantonrechter alsmede het herstel van haar arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:683 lid 3 BW.  Verder wilde ze een billijke vergoeding ontvangen, naast de transitievergoeding van ruim twintigduizend euro die reeds aan haar was toegekend.

Beoordeling hof

In hoger beroep heeft het hof de bestreden beschikking van de kantonrechter bekrachtigd en de verzoeken van de vrouw afgewezen.  De stellingen die de vrouw in hoger beroep aannam, werden door het hof terzijde geschoven. Zo stelde de vrouw dat van Eurest Services meer verwacht had mogen worden om haar tegemoet te komen, bijvoorbeeld door haar probleem in een functioneringsgesprek of officiële klacht vast te leggen of een bedrijfsarts in te schakelen. Volgens het hof komt in het dossier echter duidelijk naar voren dat het juist de bereidheid van de ex-werkneemster was die te wensen overliet, waardoor van Eurest Service ook geen probleemoplossende initiatieven werden verwacht. De vrouw wilde niet in gesprek gaan over de oorzaak van haar probleem en hoewel vast is komen te staan dat de urinegeur een medische oorzaak kent, was zij –  ondanks verzoeken daartoe – niet bereid om tezamen met de bedrijfsarts op zoek te gaan naar een structurele oplossing voor de geuroverlast.

Verder stelde de vrouw zich op het standpunt dat de werkgever haar in een andere werkomgeving had moeten plaatsen. Ook dit betoog ging niet op, onder andere omdat de vrouw noch tot andere werkzaamheden in staat was noch daartoe bereid bleek. Het feit dat de vrouw op het moment dat de zaak bij het hof diende, was uitbehandeld voor haar medische probleem, maakt het voorgaande overigens niet anders. Omdat het hof een ex tunc beoordeling verricht, is deze omstandigheid namelijk niet relevant voor het oordeel van het hof.