Het verschoningsrecht van de journalist

Vorige maand werd bekend dat NOS-verslaggever Robert Bas op bevel van de rechter-commissaris in gijzeling is genomen omdat hij niet bereid is om als getuige vragen te beantwoorden in een strafzaak. Afgelopen vrijdag heeft de rechtbank de gijzeling, na veel ophef hieromtrent, weer beëindigd. Na het betreffende nieuws werpen wij de vraag op hoe ver het verschoningsrecht eigenlijk reikt en wat het verschoningsrecht precies inhoudt.

Het recht op bronbescherming voor journalisten is gebaseerd op het verschoningsrecht, dat inhoudt dat een getuige in een zaak geen getuigenis hoeft af te leggen of kan weigeren bepaalde vragen te beantwoorden.

Het (beperkte) verschoningsrecht

Het verschoningsrecht is neergelegd in artikel 218a van het Wetboek van Strafvordering en kan tevens worden ontleend aan vaste rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, meer specifiek artikel 10 (EVRM). Het artikel uit het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

Getuigen die als journalist of publicist in het kader van nieuwsgaring, beschikken over gegevens van personen die deze gegevens ter openbaarmaking hebben verstrekt, kunnen zich verschonen van het beantwoorden van vragen over de herkomst van die gegevens.”

Het bovenstaande recht kent een lange geschiedenis, er is namelijk een lange discussie gevoerd of de beroepsgroep van journalisten ook kon worden toegevoegd aan de rij (o.a. advocaten, notarissen en artsen) met professionele verschoningsgerechtigden. De reden waarom hierover werd getwijfeld is omdat deze beroepsgroep op bepaalde onderdelen duidelijk verschilde van de andere. De journalistiek is namelijk een vrij toegankelijke beroepsgroep zonder vereiste vooropleiding. Verder is het een beroepsgroep die juist niet per definitie werkt met vertrouwelijkheid maar gericht is op openbaarmaking.

In Nederland kennen wij slechts een beperkt verschoningsrecht, wat inhoudt dat journalisten die als getuigen worden ondervraagd slechts ten aanzien van vragen die zich richten op het bekend worden van de bron van de informatie kunnen beroepen. Kortom, niet de inhoud van de informatie wordt beschermd, maar de bron van de informatie.

Het verschoningsrecht kan slechts worden beperkt indien er sprake is van een zwaarwegend algemeen belang, bijvoorbeeld gedurende een strafrechtelijk onderzoek omdat de bron zelf strafbaar is of omdat de bron gevoelige informatie kan geven.

Rechtspraak: De zaken Goodwin, Voskuil en Sanoma

Langere tijd werd de vraag of journalisten een beroep konden doen op het verschoningsrecht negatief beantwoord. Het algemene belang van nieuwsgaring moest worden afgewogen tegen een ander algemeen belang, namelijk het belang van waarheidsvinding. Het belang van waarheidsvinding diende destijds nog voorop te staan. Het hierboven genoemde uitgangspunt gold totdat het EHRM in 1996 in de zaak Goodwin besliste dat het belang van nieuwsgaring in beginsel het belang van waarheidsvinding overtreft. Een tot journalistiek gericht bevel om zijn bronnen te onthullen was aldus in beginsel in strijd is met artikel 10 van het EVRM, omdat de persvrijheid in een democratische samenleving voorop dient te staan. Alleen zwaarderwegende eisen van algemeen belang zouden een dergelijk bevel kunnen rechtvaardigen.

Ongeveer 10 jaar later, in 2007, besliste het EHRM dat journalist Voskuil artikel 10 EVRM schond omdat deze zijn bronnen niet wilde prijsgeven. Voskuil is destijds 17 dagen gegijzeld. De Voskuil-zaak ging over een Sp!ts-journalist die samen met zijn college Saoud in een tweetal artikelen vraagtekens stelde bij de doorzoeking van de woning van Mink K. Voskuil werd als getuige opgeroepen maar weigerde zijn bron bekend te maken. De Staat probeerde Voskuil te pogen tot bekendmaking van zijn bronnen met als argument het waarborgen op een eerlijk proces voor Mink K. Volgens het EHRM was dit geen gegronde reden om het recht op bronbescherming opzij te schuiven.

Weer enkele jaren later veroordeelt het EHRM de Nederlandse Staat vanwege het schenden van de persvrijheid van artikel 10 van het EVRM in de zaak Sanoma. Hierin ging het om een cd-rom met foto’s van een illegale straatrace. Het OM eiste de afgifte van de cd-rom. De hoofdredacteur van Autoweek, die de foto’s publiceerde in een tijdschrift, weigerde dit. De Grote Kamer van het EHRM oordeelde unaniem dat de inbeslagneming een ongeoorloofde inbreuk maakte op de journalistieke bronbescherming.

In de arresten Voskuil en Sanoma toonde het EHRM aan dat het Nederlandse stelsel van bronbescherming tekortkomingen vertoonde. De Minister van Justitie gaf in 2007 aan onderzoek te gaan doen naar de bestaanbaarheid van een wettelijk verschoningsrecht voor journalisten. Met de Wet bronbescherming in strafzaken is het verschoningsrecht voor journalisten in de wet opgenomen.