Het verbod op rookruimtes, hoe zit het nou?

Op 13 februari 2018 heeft het Gerechtshof Den Haag bepaald dat rookruimtes in de horeca niet mogen. Dit op basis van het WHO-kaderverdrag. Het verdrag eist een uiteindelijke 100% eliminatie van tabaksrook in ‘public spaces’. Zo’n rookruimte haalt dit niet, onder meer wegens de sociale druk van je vrienden.

De Nederlandse Nietrokersvereniging CAN (Club Actieve Nietrokers) heeft eerder tevergeefs geprocedeerd bij de rechtbank. Dit kon zij doen doordat zij blijkens haar statuten ten doel heeft roken uit te bannen. De rechtbank achtte dat het WHO verdrag geen rechtstreekse werking had. Daar hield het dus al op. Dat ging echter anders bij het Gerechtshof.

Rechtstreekse werking?
Alvorens het Gerechtshof bepaalt of er sprake is van rechtstreekse werking frist zij eerst even ons geheugen op. De vraag of er sprake is van rechtstreekse werking dient bekeken te worden aan de hand van de uitleg van de desbetreffende bepaling aan de hand van artikelen 31-33 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat er geen rechtstreekse beoogt is, is de inhoud ervan bepalend. De bepaling moet dan onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn.

Artikel 8 lid 2 WHO verplicht verdragspartijen iedere blootstelling van tabaksrook te voorkomen. Dit moet gelden voor eenieder die een horeca-inrichting betreedt of wil betreden. Deze bepaling is dan ook volgens het hof voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk. Maar er zijn twee uitzonderingen waarbij het resultaat niet direct behaald hoeft te worden. Dit is namelijk indien de staat niet een redelijke tijd heeft verkregen dit te trachten of indien een uitzondering is gerechtvaardigd, zoals bijvoorbeeld een overgangsregeling. Beide uitzonderingen houden geen stand. Immers, sinds 2005 heeft Nederland al een verplichting. Blijkens de toelichting op het besluit blijkt volgens het Hof ook niet dat er sprake is van een overgangstermijn nu de Staat stelt dat het besluit voldoet en een termijn met bijbehorend beoogd resultaat mist. Hierdoor heeft het WHO-verdrag werking in Nederland.

No exceptions 

Het WHO-verdrag maakt geen uitzondering voor rookruimtes. Daarbij moet het gelden voor een ieder die ‘public spaces’ betreedt. Aan deze strekking zou worden afgedaan indien op bepaalde plekken wel gerookt zou mogen worden, iemand zou die ‘public space’ niet kunnen betreden zonder gevaar voor tabaksrook. Ook de aard van horeca-instellingen zijn volgens het Hof van belang, zo zou er een sociale druk aanwezig om zo’n rookruimte te betreden wanneer vrienden daarheen gaan om te roken. Ook zou een rookruimte nooit volledig zijn afgesloten, immers, wanneer een deur opengaat is ontsnappende rook een gegeven feit. Ook zouden werknemers de schade ervan ondervinden doordat zij daarin moeten schoonmaken en bierglazen halen, waarbij kortstondig luchten niet leidt tot het verdwijnen van de tabaksrook.

Tot slot is blijkens de ‘Guidelines of Implementation’, geschreven door en met consensus van afvaardigingen van verdragspartijen, geen ‘safe level’ tegen tabaksrook. Maatregelen anders dan 100% tabaksrookvrije ruimtes, zoals rookruimtes (expliciet genoemd), zijn onvoldoende.

Dit alles leidt ertoe dat het rookruimtebesluit onrechtmatig is. Maar, CAN heeft haar betoog toegespitst op horeca-inrichtingen. Daardoor kan het Hof zich niet uitlaten over andere soorten ‘public spaces’, nu zij niet de gevolgen kan overzien bij toewijzing over die andere soorten ‘public spaces’. Duidelijkheid hierover zal een nieuwe procedure vereisen.