Het legaliteitsbeginsel onder druk?

Het adagium ‘’iedereen behoort de wet te kennen’’ is elke (strafrechts)jurist rijk. Dit kan gezien worden als een derivatie van het lex scripta en het lex certa beginsel.

Door Rens Louwerse, Masterstudent forensische psychiatrie en strafrecht, Utrecht universiteit

De begrippen nader bekeken en het probleem

Voor bij wie deze termen weggezakt zijn, sta mij toe om dit nog even uit te leggen. Beide begrippen zijn deelnormen van het legaliteitsbeginsel zoals geschreven in art 1 Strafrecht (Sr). Het lex scripta beginsel stelt dat de wet geschreven moet zijn. Het lex certa beginsel houdt in dat de wet voldoende duidelijk dient te zijn. De wet hoeft echter niet alomvattend duidelijk te zijn, zo stelt de Hoge Raad.[1]

De wet moet geschreven zijn, daarover valt geen discussie te voeren. Nederland is een regeldicht land waarbij de wetgeving altijd op papier wordt vastgelegd. Dat de wet voldoende duidelijk is, is wel betwistbaar. De juridische termen vliegen je als leek om de oren als je kennis wilt nemen van het recht. Het probleem zit dan ook in het feit dat je door de regeldichtheid door de bomen het bos niet meer ziet. Daarbij komt nog dat je als professioneel marktdeelnemer wordt geacht de wet beter te kennen dan een leek.[2]

De fictie van ‘’Iedereen behoort de wet te kennen’’

Laten we die professionele marktdeelnemer is onder de loep nemen. We nemen het volgende voorbeeld als uitgangspunt. Je bent beginnend ondernemer, hebt prachtig speelgoed uitgevonden en kunt niet wachten om dit te delen met de markt. Als startend ondernemer heb je een hoop aan je hoofd en een daarvan is zorgen dat je product niet in strijd is met (straf)wetgeving. Je besluit er eens een middag goed voor te gaan zitten om dit uit te zoeken. En dan begint het avontuur…

Ik heb niet de mogelijkheid om hier alle wetgeving te bespreken, ik beperk mij tot een greep uit de diverse soorten wetgeving die de professionele leek dient te bekijken danwel te kennen. Er dient allereerst gekeken te worden naar de Europese Richtlijn Speelgoed 2009/48/EG. In deze richtlijn kan de profesionele leek bekijken of het product onder de definitie van speelgoed valt. Verder moet gekeken worden voor welke leeftijd het speelgoed gemaakt wordt, waarbij PR-CEN-ISO/TR 8124-8:2016 van toepassing is. Verder dien je als leek te onderzoeken of er specifieke veiligheidseisen zijn, of er wetgeving is voor het speelgoedartikel dat je hebt gemaakt of dat er specifieke normen zijn voor het speelgoedartikel dat je produceert. Tevens dient een speelgoedartikel een technisch dossier te hebben, waarbij de Technical Documentation Guide to TSD 2009/48/EC van toepassing is. Daarnaast is het Warenwetbesluit speelgoed 2011 van belang en vergeet ook niet de Speelgoedrichtlijn 2009/49/Eg door te nemen met de desbetreffende normen. Volg jij het nog? Ik niet.

Natuurlijk kan deze professionele marktdeelnemer een jurist inhuren die verstand van zaken heeft over deze wetgeving. Mijn vraag is dan echter of het lex certa beginsel hier niet in het geding is. Is de wet voldoende duidelijk als je iemand moet inschakelen die een aantal jaar gestudeerd heeft om zich zulke teksten meester te maken? Houdt voorgaand argument dan nog stand? Ik meen van niet.

Onvermijdelijk probleem?

Verheij pareert bovenstaande stelling  door te stellen dat het gestelde probleem onvermijdelijk is. Hij stelt: “In de spreektaal is een beslissing hetzelfde als een besluit, maar voor ons niet. Evenzo kan een arts niet volstaan met diagnose “gebroken been”. Hij moet precies aangeven welk bot waar gebroken is. Dat vergt onvermijdelijk jargon. (…) Natuurlijk moet het recht toegankelijk zijn voor burgers. Maar dat is meer een zaak van voorlichting en rechtshulp dan van wetgeving. Gezondheidszorg moet ook toegankelijk zijn, maar dat betekent nog niet dat mensen zelf moeten kunnen opereren.” [3]

Deze stelling van Verheij deel ik echter niet. Het is inderdaad niet mogelijk om wetgeving te creëren zonder jargon. Precisie is geboden en zeker in het (straf)recht. Echter, ik ben van mening dat het niet zo kan zijn dat een leek een professional moet inschakelen om het recht te kunnen begrijpen. Daarom is mijn voorstel om “iedereen behoort de wet te kennen” te wijzigen naar “men dient de wet te kunnen snappen”. Wellicht is dit een incentive voor de wetgever om wetgeving toegankelijker te maken.


[1] HR 2 april 1985, NJ 1985, 796, ECLI:NL:HR:1985:AB7967 (Onbehoorlijk gedrag).
[2] HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954 (Krulsla).
[3] Verheij, ‘A.M. Donner als oerbron van de Awb’, in: Oude Meesters. Grondleggers van bestuursrecht en hun rol in het huidige recht (2009), p. 28.