Euthanasie door arts: voldaan aan zorgvuldigheidseisen?

De rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak van 11 september 2019 geoordeeld dat een arts die euthanasie pleegde op een demente patiënte, niet voor moord kan worden vervolgd. De rechtbank heeft de arts dan ook ontslagen van alle rechtsvervolging.

De zaak betreft een patiënte die Alzheimer had en in 2012 een euthanasieverzoek had getekend, inclusief dementieclausule. Ook tekende de patiënte in 2015 een herziene dementieclausule, waaruit bleek dat de patiënte niet in een verpleeghuis wilde worden opgenomen als haar dementie in een ver stadium zou zijn. De huisarts en geriater waren van mening dat de patiënte wilsbekwaam was toen zij de euthanasieverklaring en de dementieclausules tekende.

De jaren erna ging de patiënte achteruit en stelde de huisarts vast dat ze niet meer wilsbekwaam was. In 2016 werd ze opgenomen in een verpleeghuis. De dienstdoende arts ging onderzoeken of het mogelijk was om op basis van de wilsverklaring euthanasie te plegen. Door de arts zijn gesprekken gevoerd met de huisarts, echtgenoot, psycholoog, het behandelteam in het verpleeghuis en de consulent van de levenseindekliniek. Daarnaast had de arts gesprekken met de patiënte zelf en heeft zij de patiënte langdurig geobserveerd. Hieruit is naar voren gekomen dat de vrouw diep dement en wilsonbekwaam was en dat, na oordeel van twee onafhankelijke artsen, het verzoek tot euthanasie voldeed aan alle wettelijke eisen. Hierop heeft de arts gehandeld en het leven van de patiënte beëindigd.

Tuchtcollege

Door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg werd in 2019 geoordeeld dat de arts niet aan alle zorgvuldigheidseisen van de Euthanasiewet had voldaan. Daarom kreeg de arts een waarschuwing opgelegd. Echter, het feit dat de arts zich bij de tuchtrechter heeft moeten verantwoorden, betekent niet dat de arts niet meer strafrechtelijk kan worden vervolgd. De tuchtprocedure ziet bovendien met name op het overtreden van medische normen die gekoppeld zijn aan het professionele handelen van de arts in het kader van haar BIG-registratie. Dit terwijl met de strafrechtelijke procedure belangrijke juridische aspecten aan de orde kunnen worden gesteld. Daarom maakte het Openbaar Ministerie (OM) gebruik van diens discretionaire bevoegdheid om tot vervolging over te gaan. Het OM legde de volgende rechtsvraag aan de rechtbank Den Haag voor:

Rust op de arts de plicht tot verificatie van de actuele levens- of stervenswens bij een wilsonbekwame, diep demente patiënte om te kunnen spreken van een vrijwillig en weloverwogen verzoek?

Oordeel

De rechtbank heeft deze vraag beantwoord en gesteld dat de arts als specialist ouderengeneeskunde opzettelijk het leven van de patiënte op haar uitdrukkelijk en ernstig verlangen heeft beëindigd door toediening van euthanatica. Hieraan heeft de rechtbank toegevoegd dat de arts zich bij de uitvoering van de euthanasie heeft gehouden aan alle zorgvuldigheidseisen van artikel 2, eerste lid, Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl). Wel bleef nog de vraag of het bewezenverklaarde strafbaar is of dat de arts een geslaagd beroep kon doen op de bijzondere strafuitsluitingsgrond voor artsen zoals genoemd in artikel 293, tweede lid, Wetboek van Strafrecht (Sr). Aangezien de arts aan alle zorgvuldigheidseisen heeft voldaan en de arts de levensbeëindiging heeft gemeld aan de gemeentelijke lijkschouwer, is de rechtbank van oordeel dat de arts een geslaagd beroep op de strafuitsluitingsgrond kan doen. Het bewezenverklaarde is niet strafbaar en daarom is de arts ontslagen van alle rechtsvervolging.

Aangezien het primair ten laste gelegde is bewezen, hoeft de rechtbank niet meer de subsidiaire ten laste gelegde moord te beoordelen. Van onzorgvuldige uitgevoerde euthanasie en moord is dus geen sprake.

Duidelijkheid uitleg wetsartikel

Sinds de invoering van de Euthanasiewet in 2002 is dit de eerste zaak waarbij een arts strafrechtelijk wordt vervolgd. Wel vaker zijn er artsen gewaarschuwd door de tuchtrechter, maar nog nooit zijn de belangrijke juridische aspecten van de euthanasiewetgeving via een strafrechtelijke procedure aan de orde gesteld. Het maatschappelijke belang van deze zaak is dan ook groot. Met deze uitspraak van de rechtbank is meer duidelijkheid gekomen over hoe artikel 2, eerste en tweede lid, Wtl moet worden uitgelegd. Dit schept een precedent voor komende rechtszaken betreffende de euthanasiewetgeving.

Politieke consequenties?

In de media zijn verschillende geluiden over de uitkomst in de euthanasie-zaak te horen. Voorzitter Nienke Nieuwenhuizen van de Vereniging voor Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso) geeft aan dat de uitspraak de waarde van de wilsverklaring vergroot. Hieromtrent wordt dus door de rechtbank duidelijkheid geschept. Daarentegen geeft zij ook aan dat de uitspraak alleen maar naar het wettelijk perspectief kijkt, terwijl er ook onder meer een tuchtrechtelijk perspectief is. Het Tuchtcollege kwam namelijk eerder tot het oordeel dat de arts niet aan de zorgvuldigheidseisen heeft voldaan. Het blijft dus de vraag vanuit welk perspectief de zorgvuldigheidseisen moeten worden bekeken.

Jurist Esther Pans geeft aan dat de rechtbank heeft verduidelijkt dat het niet betekenisvol en niet noodzakelijk is om bij een volstrekt wilsonbekwame patiënt te verifiëren of die nog steeds vasthoudt aan haar of zijn doodswens. Volgens haar heeft de rechtbank terecht geen eis gesteld die dit voor artsen verplicht stelt.

Hoewel de uitspraak dus duidelijkheid heeft geschept over hoe de zorgvuldigheidseisen moeten worden uitgelegd, blijft er wel onzekerheid bestaan over wat de arts wel of niet kan doen. Dat in dit geval de rechtbank heeft geoordeeld dat de arts aan de zorgvuldigheidseisen heeft voldaan, maakt niet dat hier in een ander geval met dezelfde feiten ook aan wordt voldaan.

Hoger beroep

Het is nog niet bekend of het OM in hoger beroep gaat. Het verdere verloop van deze zaak moet dus worden afgewacht. Daarnaast zal moeten worden afgewacht hoe de politiek zal omgaan met deze kwestie en of er Kamervragen zullen worden gesteld.