Een jaar gevangenisstraf voor verblijf in terroristisch gebied

Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) diende op donderdag 24 januari een wetsvoorstel in bij de Tweede Kamer. De essentie van het wetsvoorstel is het strafbaar stellen van het verblijf in terroristisch gebied zonder goedkeuring. Wie dit verbod overtreedt riskeert een gevangenisstraf van maximaal een jaar.

Het nieuwe wetsvoorstel wil het verblijf in terroristisch gebied strafbaar stellen met maximaal een jaar gevangenisstraf. Nu is er al een veroordeling mogelijk voor deelname aan een terroristische organisatie of voorbereiding van een terroristisch misdrijf. Omdat er veel kennis is over de situatie in Irak of Syrië is dit vaak al voldoende voor een veroordeling. Echter is de nieuwe maatregel toch nodig omdat er in de toekomst elders terroristische gebieden kunnen ontstaan. Ook is het soms moeilijk te achterhalen wat er zich precies in een terroristisch gebied heeft afgespeeld. Na aanname van de nieuwe wet wordt het verblijf zelf strafbaar gesteld, dit is makkelijker te bewijzen.

De nieuwe wet zou ter bescherming dienen van de Nederlandse Staat. Van Nederlandse uitreizigers naar terroristische gebieden die terugkeren naar het thuisland gaat veel dreiging uit. Het risico op aanslagen neemt bijvoorbeeld toe. Er is echter wel een beperkt aantal personen dat een reden heeft om naar een terroristisch gebied af te reizen, men denkt dan onder andere aan hulpverleners en journalisten. Zij kunnen een vrijstelling aanvragen om ongestraft in een betreffend gebied te verblijven. Ook worden de terroristische gebieden aangewezen bij algemene maatregel van bestuur (AMVB), zodat het duidelijk is over welke gebieden het gaat.

Kritiek

De Raad van State is kritisch over het nieuwe wetsvoorstel. Volgens hen heeft minister Grapperhaus onvoldoende aangetoond wat de noodzaak is van het nieuwe plan. Eerder werd er al een wetsvoorstel gedaan om het verblijf in terroristisch gebied strafbaar te stellen door toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Ard van der Steur. De Raad van State had toen hetzelfde bezwaar. Ook had zij kritiek op het feit dat het moeilijk was om aan te tonen of Nederlanders opzettelijk in terroristisch gebied waren geweest.