De Wet arbeidsmarkt in balans

Het wetsvoorstel voor de Wet arbeidsmarkt in balans (hierna: WAB) is op 5 februari jl. door de Tweede Kamer aangenomen met een kleine meerderheid van de stemmen. Een fors aantal maatregelen in het arbeidsrecht zijn daarmee voorgelegd aan de Eerste Kamer. De veelbesproken introductie van de ‘proeftijd XL’ is daarbij uiteindelijk geschrapt uit het wetsvoorstel. De WAB past het huidige arbeidsrecht uit de Wet Werk en Zekerheid (hierna: WWZ) aan. Het voornaamste doel van het wetsvoorstel is om de verschillen tussen flexwerk en vast werk te verminderen.

Er zijn veel maatregelen opgenomen in de WAB. Hieronder geven wij een overzicht van de belangrijkste wijzigingen ten aanzien van het ontslagrecht en de flexibele arbeid. Het gehele wetsvoorstel is hier te vinden.

Ontslagrecht

In het ontslagrecht zal de zogenoemde ‘cumulatiegrond’ worden geïntroduceerd. Daar waar in de WWZ een beperkt aantal gesloten ontslagreden zijn geformuleerd is het beoogde nieuwe artikel 7:669 lid 3 sub i BW van toepassing wanneer er een combinatie van twee of meer in de persoon gelegen ontslaggronden zijn. Op het moment dat één ontslagreden onvoldoende is voor een beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan de cumulatiegrond van dit artikel alsnog een beëindiging teweegbrengen. Bij een ontbinding met gebruikmaking van de cumulatiegrond kan de rechter daarbij een extra vergoeding van maximaal 50% toekennen bovenop de transitievergoeding. Dit laat onverlet dat de rechter een billijke vergoeding kan toekennen wanneer er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Flexibele arbeid

Er is een aantal wijzingen opgenomen in de WAB over de flexibele arbeid. De belangrijkste doelstelling van de WAB is daarbij om de verschillen tussen flexwerk en vast werk te verminderen. De maatregelen over de ketenbepaling en oproepkrachten zijn opvallend.

Om te beginnen zijn er maatregelen opgenomen om de ketenbepaling te verruimen. De maximumtermijn waarbinnen tijdelijke contracten kunnen worden verlengd, wordt verlengd van twee naar drie jaar. Dit was ook het geval voor de WWZ. De termijn moet daarbij voor seizoenswerk opnieuw beginnen te lopen na een afkoelperiode van drie maanden in plaats van zes maanden. Er is sprake van seizoenswerk wanneer een werknemer niet meer dan negen maanden per jaar kan werken. Ten tweede zijn er maatregelen opgenomen voor oproepkrachten. Een oproepkracht moet daarbij bijvoorbeeld uiterlijk vier dagen van tevoren worden opgeroepen en heeft recht op loon over die periode waarover hij is opgeroepen als dit binnen vier dagen wordt ingetrokken. Afwijkingen in de cao zijn daarbij wel mogelijk. De opzegtermijn voor de oproepkracht moet daarbij gelijk zijn aan de oproepkracht voor de werkgever. Dit zal in beginsel dus vier dagen moeten zijn.

De WAB is eerder ook al tijdens een internetconsultatie door verschillende instanties bediscussieerd. De Vereniging Arbeidsrecht Advocaten Nederland en de Vereniging voor Arbeidsrecht vragen zich bijvoorbeeld af of de cumulatietheorie en het terugbrengen van de duur van de ketenregeling bijdraagt aan de doelstelling van de WWZ om ‘’vast minder vast’’ te maken. De Raad van State was kritisch in een advies over de WAB maar de cumulatiegrond zou volgens dit advies wel kunnen bijdragen aan een betere balans op de arbeidsmarkt. De WAB is uiteindelijk aangenomen door de Tweede Kamer met kleine aanpassingen. De voornaamste daarvan is het schrappen van de verlengde proeftijd. Hoe de Eerste Kamer het wetsvoorstel zal beoordelen is nu de vervolgvraag. De beoogde inwerkingtreding van de WAB is 1 januari 2020.