De strafbaarstelling van seksuele straatintimidatie

Seksuele straatintimidatie is steeds meer in het nieuws. De kwestie heeft zelfs geleid tot een initiatiefvoorstel seksuele straatintimidatie. Of de strafbaarstelling van seksuele straatintimidatie een goed idee is, is nog maar de vraag. Een van de grootste kritiekpunten ziet op de vrijheid van meningsuiting. Zal deze vrijheid door de strafbaarstelling van seksuele straatintimidatie in het geding komen?

Door Sandra van Engelenburg

‘Een stille tocht voor slachtoffer verkrachting vanuit Rotterdam naar de Esch’, zo kopte Rijnmond onlangs. De stille tocht kwam als reactie op de jonge vrouw die werd verkracht nadat zij uit de stad Rotterdam naar huis fietste. Het zou een stille tocht worden, maar “geen stille tocht voor iemand die fysiek is overleden. Het is een stille tocht voor het gestorven deel van de jonge vrouw die op zaterdagochtend bruut is verkracht”.[1]

Met de stille tocht wilde de initiatiefnemer laten zien dat geen enkele vorm van seksuele straatintimidatie wordt getolereerd. Een hot topic, zo bleek toen #Metoo viral ging en veel vrouwen hun verhalen deelden met de buitenwereld. Duidelijk werd dat veel vrouwen last hebben van vrijpostige mannen die naar hen roepen of sissen. Vele initiatieven volgden. Zo probeert Stichting Stop Straatintimidatie via een burgerinitiatief seksuele straatintimidatie op de politieke agenda te plaatsen.[2] De lagere wetgever besteedde vervolgens in verschillende steden aandacht aan de kwestie. In o.a. Rotterdam en Amsterdam kwam een verbod in de APV te staan op seksuele straatintimidatie.

Het topic kreeg ook aandacht van de Tweede Kamer. In maart 2018 kwamen PvdA-leider Asscher en Van Toorenburg van het CDA met een initiatiefvoorstel.[3] Dit voorstel diende ertoe de lacune in de wet op te vullen door seksuele straatintimidatie strafbaar te stellen als overtreding. De vraag is echter of het wel noodzakelijk is om seksuele straatintimidatie strafbaar te stellen. Zal de wet symboolwetgeving worden? En zal de strafbaarstelling strijdig zijn met de vrijheid van meningsuiting?

Juridisch kader

Seksuele intimidatie komt in verscheidene wetten en EU-richtlijnen voor. Toch volgt uit het initiatiefvoorstel dat aanvullende wetgeving gewenst is. De vraag is echter of seksuele straatintimidatie niet al door de huidige wetgeving strafbaar is gesteld.

Seksuele intimidatie op straat kan omschreven worden als een ongewenste uiting of gedraging met een seksuele tint, in het openbaar gedaan, die zorgt voor een gevoel van minderwaardigheid bij het slachtoffer, het aantasten van de persoonlijke vrijheid of het gevoel dat het slachtoffer wordt lastiggevallen. Deze omschrijving geeft meerdere bestaande strafbare feiten weer. Zo is het roepen van ‘hoer’ naar een vrouw op straat te kwalificeren als een strafbare belediging. Schelden is immers in beginsel een strafbare belediging. Bedreiging met bijvoorbeeld een verkrachting is ook strafbaar gesteld. Schennis van de eerbaarheid, verkrachting en aanranding zijn daarnaast strafbare feiten die als seksuele intimidatie kunnen worden gezien, maar die al wel als strafbare feiten zijn opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Onverhoeds in de billen knijpen kan daarmee een strafbaar feit opleveren. Kortom, de ernstige gevallen, zoals belediging en bedreiging, zijn strafbaar gesteld. De vervelende, irritante uitingen, zoals sissen of nastaren, zouden door aanvullende wetgeving strafbaar gesteld kunnen worden. De vraag is wel of dit gewenst is.

De vrijheid van meningsuiting

Op het initiatiefvoorstel omtrent seksuele straatintimidatie kwam een reactie in de vorm van een advies van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA). De adviescommissie van de NOvA bestempelde het wetsvoorstel als strijdig met art. 10 EVRM.[4] In een democratie moet er in beginsel ruimte zijn voor uitlatingen die kwetsen, shockeren of verontrusten.[5] Deze ruimte is echter beperkt.

Of strafbaarstelling van seksuele straatintimidatie werkelijk de vrijheid van meningsuiting in het geding brengt, moet worden bekeken aan de hand van de beperkingsclausule uit art. 10 lid 2 EVRM. De clausule geeft geen oordeel over een gehele regeling, maar wel over een concrete situatie waarin een rechter een oordeel heeft geveld over een bepaalde zaak.

De stappentoets, die uit artikel 10 lid 2 EVRM volgt, geeft een aantal vereisten aan. Zo moet een veroordeling bij wet zijn voorzien, een legitiem doel dienen en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Dit houdt voor seksuele straatintimidatie in dat er een verbod in het wetboek dient te komen die duidelijk is. Deze regeling moet daarnaast een in het artikel genoemd legitiem doel dienen. Dit zou het beschermen van de rechten van anderen (de slachtoffers) kunnen zijn. Ten slotte dient de regeling noodzakelijk te zijn in een democratische samenleving. Hierbij wordt tevens bekeken of het (legitieme) doel in gelijke verhouding staat tot het middel, de (zware) straf.

De nationale staat heeft enige ruimte om te bepalen of een veroordeling een dringende maatschappelijke behoefte heeft. Uitingen gedaan ten behoeve van het publieke debat mogen niet snel worden ingeperkt.  Commerciële uitingen weer wel. Een staat heeft hiertussen ruimte, ook wel een ‘margin of appreciation’, om te oordelen of een veroordeling een inperking van de vrijheid van meningsuiting vormt, zonder dat Straatsburg ingrijpt. Seksuele straatintimidatie zal niet snel een toevoeging aan het publieke debat vormen. Dit zal de Nederlandse staat ruimte bieden om de vrijheid van meningsuiting op dit gebied in te perken. Zo zou Nederland kunnen oordelen dat het strafbaarstellen van seksuele straatintimidatie een noodzakelijkheid is. Dat een verbod op seksuele straatintimidatie een schending van art. 10 EVRM zou opleveren, is dan ook moeilijk voor te stellen.

Seksismeverbod België

Niet alleen in Nederland is er nagedacht over het strafbaar stellen van seksuele straatintimidatie. Op initiatief van politica Milquet werd in België in het jaar 2014 een autonoom seksismeverbod in de wet opgenomen.[6] Met dit seksismeverbod probeert België een voorbeeld te stellen voor andere Europese landen en daarmee seksisme uit te bannen. Bij overtreding van het seksismeverbod dient het te gaan om een gebaar of handeling (1) in de openbare ruimte (2) die duidelijk bedoeld is (3) om een of meerdere specifieke personen (4) te vernederen omwille van hun geslacht, met een ernstige aantasting van de waardigheid van die persoon tot gevolg (5). De reikwijdte van dit verbod is enigszins breder dan het voorgestelde Nederlandse verbod. De wet kreeg veel kritiek te verduren. Zo zou de wet vaag zijn, overlappen met bestaande wetgeving en in strijd zijn met de vrijheid van meningsuiting. Dit kritiekpunt werd door het Grondwettelijk Hof België van tafel geveegd. Die oordeelde dat de Belgische wet niet in strijd was met de vrijheid van meningsuiting.[7] Ondanks al deze kritieken werd in november 2017 een man veroordeeld op grond van het seksismeverbod.

Kortom, vanuit de bevolking klinkt een schreeuw om aanvullende wetgeving op het gebied van seksuele straatintimidatie. In principe zou hiervoor binnen de huidige wetgeving ruimte zijn. De vrijheid van meningsuiting staat er in ieder geval niet aan in de weg. Zeker nu Nederland de margin of appreciation volledig kan benutten. Ook de Belgische wetgeving klinkt veelbelovend. Dit alles zou misschien wel tot een Nederlandse opvolger van de Belgische wet kunnen leiden.


Sandra van Engelenburg haalde een 7,5 voor haar masterscriptie ‘Seksuele straatintimidatie – Een onderzoek naar een mogelijke strafbaarstelling van seksuele straatintimidatie met de huidige beperkingen van de vrijheid van meningsuiting’ aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Dit artikel betreft een ingekorte versie. Ze rondt momenteel de laatste vakken van haar master strafrecht af en is inmiddels ook begonnen met de master International and European Union Law.


VOETNOTEN

[1] Rijnmond, ‘Stille tocht voor slachtoffer verkrachting De Esch’, 26 juli 2018.
[2] Straatintimidatie.org.
[3] Kamerstukken II 2017/18, 34904, 2, p. 1-2.
[4] Brief van de algemene raad van de NOvA, 18 april 2017 (met bijlage).
[5] EHRM 7 december 1976, ECLI:CE:ECHR:1976:1207JUD000549372 (Handyside t. Verenigd Koninkrijk), r.o. 49.
[6] Wet van 22 mei 2014, Belgisch Staatsblad 2014, 55452.
[7] Grondwettelijk Hof België 25 mei 2016, ECLI:BE:GH:2016:72.