Centrale Raad van Beroep verduidelijkt handel op Markplaats met bijstandsuitkering

Volgens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 april 2019 dient een vrouw uit Zoetermeer ruim 140.000 euro aan kosten van bijstand terug te betalen aan de gemeente. Dit omdat de vrouw afgelopen jaren zeer actief was met het verkopen van privégoederen op internetplatform Marktplaats.

Omdat de vrouw in zeven jaar tijd meer dan 3.771 advertenties had geplaatst op Marktplaats, was er volgens de CRvB geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen. ‘Gelet op de aard en de omvang van deze activiteiten is geen sprake van incidentele verkoop van privégoederen maar van op geld waardeerbare activiteiten in de vorm van internethandel, waarmee appellante inkomsten heeft gegenereerd of heeft kunnen generen’, aldus de CRvB. Het had de vrouw duidelijk moeten zijn dat de internethandel van invloed kon zijn op de omvang van het recht op bijstand en zij had derhalve het College van Burgemeester en Wethouders hieromtrent dienen in te lichten.

De vrouw heeft gereageerd met het standpunt dat ze de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, omdat de gemeente reeds sinds 2007 op de hoogte was van haar activiteiten op Markplaats. Daarbij beroept zij zich op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie. Deze jurisprudentie heeft betrekking op wettelijke bepalingen waarin sprake is van een bevoegdheid van een bestuursorgaan om de onverschuldigde betaalde uitkering terug te vorderen en in situaties waarin de betrokkene de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Zulke wettelijke bepalingen zouden in strijd kunnen komen met de rechtszekerheid indien dit tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat zou leiden dan onder het oude recht mogelijk was.

De CRvB komt tot de conclusie dat bovenstaande jurisprudentie niet opgaat voor de vrouw, omdat het in de zaak van de vrouw gaat om een verplichting tot terugvordering. Daarnaast was het in 2007 nog niet duidelijk of sprake was van meer dan incidentele verkoop van privégoederen en gezien de constatering van de gemeente dat dit wel zo was, heeft de vrouw haar inlichtingenverplichting jegens de gemeente geschonden. Aangezien bij schending van de inlichtingenverplichting niet wordt afgezien van terugvordering, omdat van een ongunstiger resultaat geen sprake is, kan de vrouw zich niet beroepen op de zesmaandenjurisprudentie.

Omdat de vrouw haar administratie omtrent inkomsten niet heeft bijgehouden, kan het recht op bijstand over afgelopen jaren niet worden vastgesteld. Gezien het voorgaande betreffende het kunnen genereren van inkomsten, heeft de gemeente derhalve terecht de kosten van bijstand van ruim 140.000 euro teruggevorderd.