Bundesverfassungsgericht legt oordeel Europees Hof van Justitie naast zich neer: gerechtvaardigd?

Het Europese Hof van Justitie (EU-Hof) heeft geoordeeld dat het opkoopprogramma van de Europese Centrale Bank (ECB) een evenredige maatregel van monetair beleid is en daarom verenigbaar met het mandaat van de ECB. Het Constitutionele Hof van Duitsland (Bundesverfassungsgericht (BVerfG)) heeft deze uitspraak van het Europese Hof naast zich neergelegd. 

Het programma staat het de nationale centrale banken en de ECB onder voorwaarden toe om staatsobligaties aan te kopen op de secundaire markt. Dit houdt in dat de staatsobligaties niet direct worden aangekocht van de betreffende lidstaat, maar van een marktdeelnemer aan wie de staatsobligaties zijn uitgegeven op de primaire markt. Met het programma moet de inflatie net onder de 2% komen te liggen. Volgens het EU-Hof valt dit programma binnen de bevoegdheid van het ECB en is deze niet in strijd met het verbod op monetaire financiering.

Echter, het BVerfG heeft nu bepaald dat de ECB alsnog moet onderbouwen dat het opkoopprogramma evenredig is. Volgens het BVerfG is het EU-Hof buiten zijn rechterlijk mandaat van artikel 19 EU-verdrag getreden en heeft daarmee buiten zijn bevoegdheid (‘ultra vires’) gehandeld, omdat zijn uitleg van de EU-Verdragen niet begrijpelijk (‘not comprehensible’) is. De uitspraak van het EU-Hof is daarom niet bindend in Duitsland.

Eigen oordeel

Het BVerfG komt hiermee tot een eigen oordeel. Voor het opkoopprogramma heeft geen voldoende evenredigheidstoetsing plaatsgevonden en daarom valt het programma niet binnen het mandaat van de ECB. Er is geen onvoorwaardelijke monetair beleid nagestreefd en er is geen rekening gehouden met de economische effecten en daarom heeft de ECB buiten zijn bevoegdheid gehandeld. De ECB krijgt nu drie maanden de tijd om te onderbouwen dat de monetire beleidsdoelstellingen die met het programma worden nagestreefd evenredig zijn met de economische gevolgen ervan. Wordt dit niet aangetoond, dan mag de Duitse centrale bank niet langer deelnemen aan de uitvoering van zulke programma’s. Dit heeft gevolgen voor de Europese eenheid.

Reacties

Europese Commissie

De Europese Commissie houdt vast aan 3 basisprincipes:

  • het monetair beleid van de EU is een exclusieve bevoegdheid;
  • het EU-recht heeft voorrang op het nationale recht;
  • uitspraken van het EU-Hof zijn bindend voor alle nationale rechtbanken.

Volgens de Europese Commissie kan het BVerfG de uitspraak van het EU-Hof dan ook niet zomaar naast zich neer leggen. Het onderzoekt daarom de mogelijkheid een inbreukprocedure tegen Duitsland te starten.

Nederland 

Nederland heeft nog niet gereageerd op de uitspraak van het BVerfG. Politicoloog en oud-diplomaat Johannes Vervloed denkt dat een reactie ook uit zal blijven. Dit komt omdat Nederland geen Constitutioneel Hof kent. In artikel 94 van onze Grondwet (GW) is bepaald dat internationaal recht voorrang heeft op nationaal recht. Daarnaast zegt artikel 150 GW dat uitspraken van het EU-Hof bindend zijn en niet voor discussie vatbaar. Daarom lijkt het erop dat Nederland de uitspraak van het BVerfG niet relevant vindt.

Afloop

Volgens Gareth Davies, hoogleraar Europees recht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, zal de zaak aflopen met een compromis. De ECB kan een uitgebreide toelichting op haar beleid geven en het BVerfG kan vervolgens accepteren dat dit beleid proportioneel is en geen onevenredige schade aan de Duitse spaarders, pensioenen en dergelijke toebrengt. ‘De Duitse regering wil de ECB echt niet kapot zien gaan’, aldus Davies. Als de ECB namelijk moet stoppen met het opkoopprogramma, kan dit de val van de euro betekenen.