Utrechts Tippelverbodarrest

Tippelverbod Utrecht, HR 7 februari 1984, NJ 1984, 740

Essentie

Deze zaak kwam voor bij de strafkamer van de Hoge Raad in 1984. Het betrof een tippelaarster die in beroep ging tegen de Utrechtse APV, waarin het verbod stond vermeld dat zij zich niet tussen 09.00 uur en 04.00 uur in haar eigen straat mocht begeven. Zij beriep zich op artikel 12 lid 3 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten & politieke rechten (IVBPR), waarin de bewegingsvrijheid is gewaarborgd.

Rechtsregel

De Hoge Raad moest beoordelen of deze APV-bepaling in strijd was met het IVBPR. Deze vraag werd bevestigend beantwoord. Een ieder verbindende bepaling kan worden beperkt met inachtneming van de openbare orde, nationale veiligheid & gezondheid. In casu is geen sprake van de voornoemde gevallen en dus is het artikel uit de APV te vergaand.

Utrechts Tippelverbod

Inhoud arrest

In artikel 60 van APV Utrecht 1973 is een algemeen verbod opgenomen tot het op een voor publiek toegankelijke plaats uitlokken tot ontucht. Ambtenaren van de politie zijn op grond van het tweede lid van dit artikel bevoegd om personen in het belang van de openbare orde of zedelijkheid de last te geven zich te verwijderen.

De Hoge Raad oordeelde dat het tippelverbod niet verenigbaar is met artikel 12 lid 3 IVBPR, omdat een beperking van zodanige aard op het recht op bewegingsvrijheid op geen enkele wijze kan worden gerechtvaardigd in de noodzaak tot bescherming van een of meer belangen die de verdragsbepaling noemt, namelijk ‘national security’, ‘public order’, ‘public health of morals’ of ‘the rights and freedoms of others’.