HR 7 oktober 1994, NJ 1994, 171 (Dibbets)

Dibbets, 7 oktober 1994
NJ 1994, 171 (niet gepubliceerd op www.rechtspraak.nl)

Essentie
Werknemer heeft een beroep gedaan op nietigheid van het ontslag. Stuurt daarna een brief aan de werkgever, maar hieruit blijkt niet – en zeker niet duidelijk en ondubbelzinnig – dat hij het beroep op de nietigheid van het ontslag intrekt en afziet van schadevergoeding. Daarom heeft hij er toch recht op.

Rechtsregel
Als een ontslag in strijd is met de wettelijke bepalingen en in strijd met een wettelijk opzegverbod is, kan de werknemer die het niet met het ontslag eens is, een beroep doen op de nietigheid van het ontslag. Als de werknemer dit op tijd en goed doet, dan blijft de arbeidsovereenkomst doorlopen. Als hij dat niet doet, dan wordt de arbeidsovereenkomst beëindigd en moet de werkgever de werknemer een schadevergoeding betalen. Als de werknemer een beroep heeft gedaan op de nietigheid van het ontslag, dan kan hij dit beroep ook weer intrekken. De arbeidsovereenkomst wordt dan alsnog beëindigd en de werknemer moet alsnog schadevergoeding betalen. Ook van de schadevergoeding kan de werknemer afstand doen, maar dat moet wel heel duidelijk blijken uit zijn verklaring.

In dit geval blijkt uit de brief van Dibbets niet dat hij het beroep op de nietigheid van het ontslag intrekt en ook niet dat hij afziet van schadevergoeding, laat staan dat hij hier duidelijk en ondubbelzinnig afstand van doet. Daarom heeft hij wel recht op deze schadevergoeding.

Inhoud arrest
Dibbets gaat in 1976 werken als notarieel medewerker bij notaris Pinckers. Op 1 december 1989 ontslaat notaris Pinckers hem per 1 januari 1990, dus zonder de geldende opzegtermijn van zes maanden in acht te nemen. Pinckers had voor dit ontslag ook niet de wettelijk vereiste toestemming gekregen. Dibbets is niet akkoord gegaan met het ontslag. Eerst heeft hij bij brief van 6 december 1989 de nietigheid van het ontslag ingeroepen, maar omdat hij per 1 januari 1990 een nieuwe baan heeft gevonden, heeft hij bij brief van 21 december 1989 aan Pinckers geschreven dat hij zijn beroep op de nietigheid van het ontslag intrekt, waardoor de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd per 31 december 1989. Omdat Pinckers de opzegtermijn niet in acht heeft genomen, stelt Dibbets dat hij recht heeft op schadevergoeding. Hij verzoekt om het loon wat hij gedurende de zes maanden opzegtermijn nog had moeten krijgen. Dat is in totaal fl. 29.100,-. Pinckers betaalt niet, dus stapt Dibbets naar de rechter.

Hij dient op 14 februari 1990 een verzoekschrift in bij de kantonrechter en vordert de wettelijke schadeloosstelling van fl. 29.100,-, vergoeding van de geleden materiele schade door het kennelijk onredelijk ontslag van fl. 27.369,08, een vergoeding van de immateriële schade van fl. 10.000,- en een vergoeding van de niet-gebruikte vakantiedagen van fl. 5.658,28, alles vermeerderd met de wettelijke rente. Pinckers dient een verweerschrift in.

De kantonrechter veroordeelt Pickers – na een tussenvonnis van 22 maart 1991 – bij eindvonnis van 14 juni 1991 tot betaling van schadevergoeding van fl. 20.000,- en vergoeding van niet-gebruikte vakantiedagen fl. 4.619,-, beide te vermeerderen met wettelijke rente. Hij krijgt geen vergoeding vanwege het kennelijk onredelijk ontslag, omdat hij in de brief van 21 december 1989 duidelijk heeft gezegd dat hij het beroep hierop intrekt. Dibbets gaat in hoger beroep. Pickers stelt daarna incidenteel hoger beroep in.

De rechtbank bekrachtigt bij vonnis van 13 mei 1993 de vonnissen van de kantonrechter en wijst het meer of anders gevorderde af. Dibbets gaat in cassatie.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank, voor zover daarbij het gedeelte van de vonnissen van de kantonrechter is bekrachtigd over de vordering Pinckers te veroordelen tot betaling van de wettelijke schadeloosstelling. Verder vernietigt de Hoge Raad de vonnissen van de kantonrechter over dit gedeelte en veroordeelt de Hoge Raad Pickers een bedrag van fl. 29.100,- vermeerder met de wettelijke rente te betalen. De Hoge Raad veroordeelt Pinckers ook in de kosten van het geding.