HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133 (Hoogovens/Matex)

Hoogovens/Matex, HR 29 juni 1979, NJ 1980, 133

Essentie
Indien goederen onder eigendomsvoorbehoud worden geleverd en deze vervolgens worden doorverkocht, rust er op de derde verkrijger geen informatieplicht naar de beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de doorverkoper, indien er geen feiten zijn die daartoe aanleiding geven. De derde verkrijger mag er dan vanuit gaan dat de doorverkoper beschikkingsbevoegd is.

Rechtsregel
Onjuist is de stelling dat het enkele feit dat Matex rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de leveranciers van Swarttouw onder eigendomsvoorbehoud aan Swarttouw hadden geleverd, reeds meebrengt dat Matex zodanige grond had te twijfelen aan de bevoegdheid van Swarttouw om over het voormelde materiaal te beschikken, dat zij een nader onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van Swarttouw had behoren te doen.

Indien Swarttouw bekend stond als financieel betrouwbaar, kan het Matex niet worden verweten dat zij geen verder onderzoek heeft gedaan. Matex komt in dat geval een beroep toe op de goede trouw uit art. 3:86 BW. Als Swarttouw niet in die mate betrouwbaar bekend stond, had dit anders kunnen zijn.

Inhoud arrest
Hoogovens heeft stalen platen onder eigendomsvoorbehoud geleverd aan het constructiebedrijf Swarttouw. Hoogovens heeft zich de eigendom van de platen voorbehouden tot aan de betaling van de koopprijs door Swarttouw. Swarttouw heeft deze platen vervolgens verkocht en geleverd aan Matex. Swarttouw heeft aangegeven gerechtigd te zijn om de platen te verkopen. Daarna gaat Swarttouw failliet. Het probleem is echter dat Swarttouw nog niet aan Hoogovens heeft betaald, waardoor Hoogovens door het eigendomsvoorbehoud nog steeds eigenaar van de platen is. Hoogovens wil de platen daarom terug van Matex. Matex beroept zich echter op de goede trouw uit (de voorloper van) art. 3:86 BW. Matex is namelijk onjuist ingelicht door Swarttouw over haar beschikkingsbevoegdheid. Hoogovens stelt daarop dat Matex zich niet zomaar op goede trouw kan beroepen, omdat Matex een onderzoeksplicht had of de platen werkelijk van Swarttouw waren en zij dus beschikkingsbevoegd was op het moment dat deze de platen aan haar verkocht.

De algemene rechtsvraag die hier centraal staat, is of er op een derde verkrijger een informatieplicht naar de beschikkingsbevoegdheid van de verkoper rust, in het geval dat deze verkoper de goederen onder eigendomsvoorbehoud geleverd heeft gekregen?

De Hoge Raad stelt Matex in het gelijk. Onjuist is de stelling dat het enkele feit dat Matex rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat de leveranciers van Swarttouw onder eigendomsvoorbehoud aan Swarttouw hadden geleverd, reeds meebrengt dat Matex zodanige grond had te twijfelen aan de bevoegdheid van Swarttouw om over het voormelde materiaal te beschikken, dat zij een nader onderzoek naar de beschikkingsbevoegdheid van Swarttouw had behoren te doen. Indien er geen omstandigheden waren waardoor Matex aan de beschikkingsbevoegdheid van Swarttouw behoefde te twijfelen, had Matex derhalve geen nader onderzoek hoeven te doen. Matex mocht ervan uitgaan dat Swarttouw beschikkingsbevoegd was. Matex kan zich daarom beroepen op de goede trouw.