HR 26 juni 1962, NJ 1962, 470 (Bloedproef II-arrest)

Bloedproef II, HR 26 juni 1962, NJ 1962, 470

Essentie
Indien bewijsmateriaal wordt verkregen op een wijze die indruist tegen de rechtsregels die hiervoor gelden, spreekt men van onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal. In bovengenoemd arrest gaf de Hoge Raad voor het eerst aan wat het het gevolg hiervan kan zijn, namelijk bewijsuitsluiting. Het ging in casu om een verdachte bij wie een bloedmonster werd afgenomen zonder zijn toestemming. Destijds was hierover niets geregeld in de wet. Het OM beriep zich op art. 56 Sv, waarin onderzoek aan het lichaam is geregeld.

Rechtsregel
De vraag die in deze zaak centraal stond, was: mag de overheid een ingrijpend dwangmiddel toepassen (op de verdachte) dat niet in de wet staat? De Hoge Raad antwoordde ontkennend. De Hoge Raad gaf aan dat het hier gaat om een inbreuk op het grondrecht van de onschendbaarheid van het lichaam. Hiervoor dient een expliciete wettelijke grondslag te bestaan.

Inhoud arrest
De verdachte in deze zaak werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en kreeg een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor 5 jaren. De verdachte bestuurde een motorrijtuig onder invloed van alcohol en veroorzaakte een ongeluk, waarbij door zijn schuld bij een ander zodanig lichamelijk letsel was veroorzaakt dat hierdoor tijdelijke ziekte was ontstaan.

Van de verdachte werd bloed afgenomen zonder zijn toestemming. De toenmalige procureur-generaal bij de Hoge Raad voerde, tegen het arrest van het hof, het volgende aan.

“[Schending] althans [verkeerde toepassing] van de artt. 56, 338, 339, 344 en 423 Sv. door het vonnis van de Rb. te vernietigen op de enkele grond, dat daarbij als bewijs was gebezigd een deskundige-rapport gebaseerd op het onderzoek van zonder toestemming van de verd. aan deze afgenomen bloed, welke grond voor deze beslissing onvoldoende is.”

De Hoge Raad moest bepalen of art. 56 Sv toestaat dat bij een verdachte bloed kan worden afgenomen zonder zijn toestemming en of deze ingreep valt onder ‘onderzoek aan kleding en lichaam.’

Omtrent deze vraag overwoog de Hoge Raad: “dat laatstgenoemde uitdrukking (…) de vraag openlaat of onder het krachtens die artikelen toegelaten onderzoek is begrepen het nemen van een zogenaamde bloedproef, en het zeer onwaarschijnlijk is te achten dat den wetgever, ten tijde van de totstandkoming van deze bepaling, een zodanige ingreep voor ogen heeft gestaan;

dat er nog te minder grond is dezen ingreep onder evengenoemde bepalingen te brengen, nu het WvSv – dat volgens de MvT een gematigd accusatoir karakter heeft – aan de politie en de justitie bepaalde bevoegdheden ten opzichte van den verd. toekent, daarbij kennelijk er van uitgaande dat de verd. enerzijds verplicht is het uitoefenen van deze bevoegdheden te dulden, doch anderzijds ingrepen, verder gaande dan deze bevoegdheden medebrengen, slechts met zijn toestemming kunnen plaatsvinden;

dat genoemd karakter van het Wetboek dan ook belet bepalingen als de voormelde te verstaan in een anderen zin dan in de strikte bewoordingen daarvan ligt opgesloten;

dat dit nog te sterker spreekt bij een ingreep als het afnemen van bloed, waarbij een nadere wettelijke regeling van de verplichting tot het dulden daarvan bezwaarlijk zou kunnen worden gemist;

dat van een verplichting tot het ondergaan van een ingreep als de onderhavige dan ook eerst sprake zou kunnen zijn, indien zodanige verplichting bij de wet zou worden vast gelegd en nader geregeld;

dat zolang zulks niet is geschied het afnemen van bloed van een verd. slechts dan als rechtmatig kan worden beschouwd, indien dit geschiedt met zijn toestemming;”