HR 12 september 1986, NJ 1987,267 (Westhoff/Spronsen)

Westhoff/Spronsen, HR 12 september 1986, NJ 1987, 276
(ECLI:NL:HR:1986:AC2628)

Door Marsha Simon

Essentie
Dit arrest heeft betrekking op de arbeidsovereenkomst en vrijwillig ontslag. Zijn er uitingen en gedragingen van de werknemer die door de werkgever mochten worden opgevat als ontslagneming (vrijwillige beëindiging van de dienstbetrekking)? Heeft de werkgever daarbij een onderzoeksplicht? Goede trouw in verband met het ontbreken van nadeel aan de zijde van de werkgever heeft tot gevolg dat de werkgever de werknemer niet aan het ontslag mag houden.

Rechtsregel
Een werkgever mag een werknemer slechts dan aan een ontslagneming houden, wanneer zij in gerechtvaardigd vertrouwen op de bij haar gewekte schijn iets heeft gedaan of nagelaten waardoor zij bij ongedaanmaking van de ontslagneming in een ongunstiger toestand zou komen dan waarin zij zonder die ontslagneming zou hebben verkeerd. De eisen van de goede trouw, in verband met de ingrijpende gevolgen die een eenzijdige ontslagneming op staande voet in beginsel voor de werknemer heeft, kunnen meebrengen dat de werkgever, hoezeer zij de betreffende uitlatingen als een ontslagneming heeft opgevat en mocht opvatten, de werknemer toch niet aan die ontslagneming mag houden indien er aan de zijde van de werkgever sprake is van nadeel in de zin van een ongunstiger toestand.

Inhoud arrest
Willem Westhoff is vanaf oktober 1974 in dienst als vrachtwagenchauffeur voor internationaal vrachtvervoer bij transportbedrijf Spronsen. Op zaterdag 1 mei 1982 komt Westhoff met de door hem bestuurde vrachtauto aan bij het bedrijfspand van Spronsen in Monster. De betreffende tocht was begonnen in Kruiningen, waar de auto van Westhoff was blijven staan, waarmee hij naar Kruiningen gekomen was. Westhoff meende dat was afgesproken dat hij bij aankomst in Monster door iemand van de zaak per auto naar Kruiningen zou worden gebracht.

Eenmaal in Monster aangekomen, bleek daarover niets te zijn afgesproken. Daarop heeft Westhoff tegen een in het bedrijfspand in Monster aanwezige medewerker gezegd: “Ik pak mijn zooitje en je bekijkt het maar, ik kom niet meer terug.” Hij heeft zijn bezittingen uit de vrachtauto gehaald en is toen vertrokken. Vervolgens heeft Westhoff op maandag 3 en dinsdag 4 mei niets meer van zich laten horen. Per aangetekende brief van dinsdag 4 mei heeft Spronsen aan Westhoff zijn ontslagname bevestigd. Westhoff is het echter niet eens met deze beslissing en vecht zijn ontslagname aan. Hij vordert van Spronsen salaris en vakantiegeld tot en met de dag waarop de arbeidsovereenkomst regelmatig zal zijn beëindigd.

Als een werknemer verklaard heeft ontslag te nemen zonder dat in werkelijkheid te willen, doet zich een probleem voor waaraan twee aspecten zijn verbonden:

  • Is de werknemer aan de afgelegde verklaring gebonden of dient aan zijn afwijkende wil meer betekenis te worden toegekend dan aan zijn verklaring?
  • Als de wil van de werknemer geacht moet worden te prevaleren boven zijn verklaring, wordt dan de werkgever beschermd als hij op de juistheid van de verklaring is afgegaan?

Op deze beide beginselen werd door Westhoff een beroep gedaan. Hij had eerst gezegd niet meer op zijn werk te willen terugkeren en heeft later een loonvordering ingesteld, gebaseerd op het voortduren van de dienstbetrekking. Enerzijds voerde hij aan dat de werkgever zijn uitlating niet had mogen accepteren zonder te onderzoeken of hij het ontslag werkelijk beoogd heeft. Anderzijds dat het voor de werkgever, die nog niemand anders in dienst had genomen ter vervanging, geen bezwaar was om het ontslag ongedaan te maken. Beide onderdelen werden door de Hoge Raad verworpen.

De Hoge Raad beslist dat een onderzoek van de werkgever naar de bedoeling van de werknemer achterwege kan blijven, wanneer hij te maken heeft met iemand die geacht mag worden voldoende maatschappelijke vaardigheden te bezitten om de draagwijdte van zijn verklaring en gedraging te beseffen. De tijd die de werkgever heeft laten verstrijken alvorens het ontslag te bevestigen kan daarbij mede een rol spelen. Door de Hoge Raad is beslist dat het vereiste van de ongunstiger toestand alleen geldt als de werknemer ten tijde dat hij zijn verklaring deed overspannen of geestelijk gestoord was, hetgeen zich hier niet heeft voorgedaan. Het zal dan ook niet eenvoudig zijn deze beperking van het vereiste van de ongunstiger toestand toe te passen.