Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 2022-0303 (Verjaring spaarrekening overleden moeder)

Geschillencommissie Financiële Dienstverlening, 22 oktober 2021, Verjaring spaarrekening overleden moeder
(Uitspraak-2022-0303)

Essentie

Is een bank gehouden het spaarsaldo uit 1991 van een overleden moeder over te maken aan een erfgenaam? Dat is de vraag die centraal staat in onderhavige zaak. De commissie oordeelt dat een bank hiertoe niet gehouden is.

Rechtsregel

Een bank is niet gehouden een spaarsaldo uit 1991 van een overleden moeder over te maken aan de erfgenaam. Het afsluiten van een spaarrekening valt onder art. 3:307 lid 2 BW, waarvoor een verjaringstermijn van 20 jaar geldt. Indien een erfgenaam de verjaringstermijn niet stuit, dan kan er geen aanspraak meer gemaakt worden op het spaarsaldo bij het verlopen van deze termijn.

Inhoud

De moeder van de consument heeft op 2 mei 1991 een spaarrekening geopend bij de bank. De consument in onderhavige zaak is enig erfgenaam van de moeder. In 1992 is de moeder overleden. Bij het opruimen van de zolder in 2021 is de consument op afschriften van de spaarrekening gestuit. Op het meest recente afschrift bleek nog een saldo van ƒ 13.097,03 op de spaarrekening te staan. Om informatie te achterhalen over de spaarrekening heeft de consument meermalen contact gezocht met de bank. Even later heeft de consument een klacht ingediend bij de bank en een verzoek gedaan tot het over maken van het spaarsaldo. De bank heeft het verzoek en de klacht van consument afgewezen.

De consument vordert dat het spaartegoed van omgerekend € 5.943,17 aan hem wordt overgemaakt door de bank, met 7% rente over het gehele spaarbedrag. De grondslag voor zijn vordering is dat de bank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het spaarsaldo al is opgenomen of op een andere rekening is gestort. Dit valt immers niet af te leiden uit de administratie van de bank. Tevens stelt de consument dat zijn moeder niet in staat was om geld op te nemen of op een andere rekening te storten door haar ziekte. Daarnaast betwist de consument dat er sprake is van verjaring, omdat er sprake zou zijn van een slapende rekening. De consument is immers benadeeld doordat administratie over de spaarrekening ontbreekt. Het spaarsaldo had daarom overgemaakt moeten worden naar een tussenrekening of consignatierekening. Verder stelt de consument dat er volgens oud recht een verjaringstermijn geldt van 30 jaar en dat deze termijn pas begint te lopen op het moment dat de bank de rekeninghouder niet kan achterhalen. Ook zou de bank verzuimd hebben om een onderzoek te doen naar haar administratie en onderzoek te doen naar de rekeninghouder en diens erfgenaam. De consulent wijst er vervolgens op dat de bank naar oud recht een bewaarplicht heeft van 10 jaar. Het rekeningnummer van de spaarrekening is echter binnen 7 of 10 jaar opnieuw aan een ander uitgegeven. Tot slot stelt de consument dat de bank de indruk heeft gewekt dat het saldo naar hem overgemaakt zou worden. De bank heeft immers om zijn rekeningnummer gevraagd.

De Commissie is van oordeel dat de bank niet gehouden is om het spaarsaldo van het meest recente rekeningafschrift aan de consument over te maken. Het oordeel is gebaseerd op grond van het volgende. Er bestaat een digitaal loket voor slapende tegoeden, waarbij er door banken geen rekening wordt gehouden met de verjaringstermijn (indien de claim kan worden aangetoond). De commissie stelt dat de claim van de consument niet aangetoond kan worden. De meest recente rekeningafschrift is immers maar een momentopname. De scenario’s die de consument heeft aangedragen kunnen niet door hem bewezen worden. Door het ontbreken van de administratie is het voor de bank ook onmogelijk om aan te tonen wat er met het spaarsaldo is gebeurd. Er is 30 jaar verstreken na de laatst bekende mutatie. Het kan de bank daarom niet verweten worden dat zij geen gegevens van de spaarrekening meer heeft in de administratie.

Dientengevolge kan geconcludeerd worden dat de vordering van de consument verjaard is ex art. 3:307 lid 2 BW. Voor een overeenkomst op grond van art. 3:307 lid 2 BW geldt een verjaringstermijn van 20 jaar. De consument had sinds de laatste mutatie de verjaring kunnen stuiten ex art. 3:317 BW, maar van deze mogelijkheid heeft de consument geen gebruik gemaakt. De commissie wijst daarom de vordering af. De uitspraak van de commissie is echter niet bindend.