ECLI:NL:XX:2016:34

College voor de Rechten van de Mens 26-05-2016, nr. 2016-45
(ECLI:NL:XX:2016:34)

Essentie
Volgens het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) discrimineerde de rechtbank Rotterdam een moslima door haar af te wijzen als buitengriffier omdat zij tijdens de zitting haar hoofddoek niet af wilde doen. De Rechtspraak is het hier niet mee eens.

Rechtsregel
In de rechterlijke organisatie geldt de afspraak dat rechters en griffiers in de rechtszaal en tijdens de behandeling van rechtszaken op geen enkele wijze door hun kleding blijk geven van hun levensovertuiging. Dit in lijn met het togabesluit en de landelijke afspraken hieromtrent. Het College oordeelde in deze uitspraak dat de rechtbank Rotterdam ongeoorloofd onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door een sollicitante voor de functie van buitengriffier af te wijzen vanwege haar hoofddoek. Uiteraard is het van belang dat de Rechtspraak een onafhankelijke en onpartijdige uitstraling heeft. Volgens het College is het verbod op een hoofddoek echter een te zware functie-eis voor een griffier aangezien zij geen onderdeel is van de Rechtspraak en dat door het dragen van een hoofddoek de onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet geschaad worden. Op grond van deze kledingvoorschriften zouden bepaalde bevolkingsgroepen op voorhand worden uitgesloten om te werken bij de Rechtspraak.

De Rechtspraak is het hier niet mee eens en benadrukt in een later bericht nogmaals het belang van de geldende kledingvoorschriften. Het werk van de griffier is zeer sterk verweven met dat van de rechter. De wetgever heeft bij het togabesluit terecht geen onderscheid gemaakt tussen rechter en griffier. De stelling van het College dat door het kledingvoorschrift bevolkingsgroepen op voorhand worden uitgesloten van werken bij de Rechtspraak, wordt door de Rechtspraak niet herkend. Er werken binnen de Rechtspraak rechters en griffiers van alle religieuze gezindten en met allerlei verschillende levensovertuigingen en opvattingen. Zij hebben gemeen dat zij ter zitting door de neutrale toga laten blijken dat die opvattingen voor hun werk niet relevant zijn.

De gerechtsbesturen en de Raad voor de Rechtspraak hebben dan ook afgesproken dat het togabesluit strikt wordt nageleefd en dat rechters en griffiers de toga niet combineren met tekenen waaruit hun levensovertuiging of andere levensopvatting blijkt, zoals een keppeltje, een hoofddoek of een kruisje. Of het gaat om een religieuze of andere overtuiging doet daarbij niet ter zake.

Inhoud arrest
Een moslima heeft bij de rechtbank Rotterdam naar de functie van buitengriffier gesolliciteerd. Vanwege haar islamitische geloofsovertuiging vertelde zij de rechtbank dat zij tijdens de zitting haar hoofddoek niet wilde afdoen. Hierop werd zij door de rechtbank afgewezen voor de functie, omdat zij niet in lijn met het togabesluit en de landelijke afspraken bereid was haar hoofddoek af te doen voor zittingen. De rechtbank hanteert kledingvoorschriften die ervoor moeten zorgen dat ter zitting geen enkel teken van persoonlijke overtuiging zichtbaar is. Hiermee wil de Rechtspraak haar neutraliteit benadrukken. Het dragen van een hoofddoek is niet in overeenstemming met deze kledingvoorschriften.

De moslima was het niet met de afwijzing eens en zij vond dat de rechtbank haar discrimineerde vanwege haar godsdienst. Hierop heeft zij een klacht ingediend bij het College om te laten beoordelen of de rechtbank Rotterdam jegens haar verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar af te wijzen voor de functie van buitengriffier.

Het College heeft geoordeeld dat de rechtbank Rotterdam indirect onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst, door kledingvoorschriften te hanteren die elk teken van persoonlijke overtuiging uitsluit. Dit is bijzonder nadelig voor bijvoorbeeld moslima’s die een hoofddoek dragen. Indirect onderscheid is niet verboden als daarvoor goede redenen zijn. De rechtbank wil met deze kledingvoorschriften de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Rechtspraak waarborgen en iedere schijn van het tegendeel vermijden. Zo wil de rechtbank het vertrouwen van rechtzoekenden in de Rechtspraak bevorderen. Het College overweegt dat het algemene belang van onpartijdigheid en onafhankelijkheid van de rechterlijke macht een zwaarwegend belang is. Maar tegenover dat belang staat het belang van de vrouw om toegang te hebben tot de functie van buitengriffier zonder in strijd met haar godsdienst te hoeven handelen. Bovendien is de griffier geen onderdeel van de rechterlijke macht. Het College is er niet van overtuigd dat door de griffier toe te staan een hoofddoek te dragen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid geschaad worden. De rechtbank onderbouwt deze stelling niet. Het College concludeert dan ook dat het hanteren van de kledingvoorschriften voor de functie van buitengriffier een te zwaar middel is. Het College oordeelt daarom dat de rechtbank de vrouw discrimineerde door haar af te wijzen voor de functie van buitengriffier.