ECLI:NL:RVS:2021:2226 (Geen boete voor hogeschool na val student)

Raad van State, 6 oktober 2021, Geen boete voor hogeschool na val student
(ECLI:NL:RVS:2021:2226)

Essentie

Dit betreft een beroepszaak van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tegen een uitspraak van de rechtbank. Volgens de staatssecretaris is de hogeschool een boete verschuldigd nadat een studente van de opleiding Circus en Performing Art een ongeval heeft gehad. De staatssecretaris is er onterecht van uitgegaan dat de hogeschool niet voldoende maatregelen heeft genomen om het ongeval te voorkomen.

Rechtsregel

Wanneer er een ongeval plaatsvindt binnen de podiumkunsten moet de staatssecretaris altijd alle gevallen afzonderlijk beoordelen. In dit geval ging het om een ongeval waarbij de artiest een act uitvoert met behulp van een zogenoemde ‘aerial silk’ (banddoek). Tijdens de act raakte de studente uit balans waardoor zij ging slingeren. Zij is daarna naar beneden gevallen.

De staatssecretaris moet aan de hand van de Arbocatalogus Podiumkunsten beoordelen of de Hogeschool voldoende maatregelen heeft getroffen om het valgevaar te voorkomen. De staatssecretaris heeft geoordeeld dat dit niet geval is, omdat de hogeschool geen gebruik heeft gemaakt van een collectieve voorziening. Er had bijvoorbeeld een grotere mat kunnen liggen, of meerdere matten naast elkaar.

In artikel 3.16, eerste lid, van het Arbobesluit is bepaald dat bij het verrichten van arbeid waarbij valgevaar bestaat zo mogelijk een veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer is aangebracht of dat het gevaar is tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen. In het vijfde lid van datzelfde artikel wordt bepaald dat indien deze voorzieningen niet of slechts ten dele aangebracht kunnen worden, of indien het aanbrengen er van grotere gevaren met zich meebrengt, andere middelen moeten worden toegepast die dezelfde mate van beveiliging bieden als de middelen genoemd in het eerste lid. Hierbij hebben collectieve maatregelen de voorkeur boven maatregelen gericht op individuele bescherming.

Omdat het in dit werkveld om zeer specifieke acts gaat die onderling veel verschillen, wordt de inhoud van de arbeidscatalogi primair overeengekomen tussen werknemer en werkgever. Hieruit blijkt dat tijdens een act ‘werken op hoogte’ sprake moet zijn van valbescherming en een werkprocedure.

Inhoud

Wat betreft de valbescherming kon in dit geval geen gebruik worden gemaakt van collectieve bescherming (een hek of leuningen) of persoonlijke bescherming. Dit kan namelijk leiden tot extra risico. Er is wel gebruik gemaakt van een valkussen, dat voldoet aan de afmetingen die zijn voorgeschreven voor dit soort acts. Daarnaast bestond de werkprocedure uit een screening van de studente.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van oordeel dat de hogeschool zich voldoende heeft ingespannen om het valrisico te verkleinen. Daarmee is ook de boete die door de staatssecretaris is opgelegd onterecht.  Er is in eerste plaats een valmat gebruikt tijdens de act, waarmee een collectieve beschermingsmaatregel is toegepast. Ten tweede is de Afdeling van mening dat de staatssecretaris niet voldoende onderzoek heeft verricht naar de praktijk bij de uitvoering van silkrope-acts. De argumenten die zijn aangevoerd, zijn nergens op gebaseerd. De hogeschool heeft wel een gedegen motivatie voor de maten van de valmat gegeven. De Afdeling komt tot de conclusie dat sprake is geweest van een ongelukkig ongeval. Niet blijkt dat dit ligt aan de afmetingen van de valmat.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de boete aan de hogeschool onterecht is opgelegd.