ECLI:NL:RVS:2020:1975 (Openbaarmaking van advocaatkosten door politie)

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 19 augustus 2020. Nieuwsmedium vraagt om openbaarmaking van de advocaatkosten die de politie heeft gemaakt in een zaak.(ECLI:NL:RVS:2020:1975)

Essentie

De korpschef van de politie heeft geweigerd informatie te verstrekken over de kosten die het politiekorps heeft gemaakt voor het inhuren van advocaten voor een zaak waarbij politieagenten waren betrokken. Dit is geweest in de periode van 17 februari 2016 tot 31 mei 2018. RTL vroeg om deze openbaarmaking. De rechtbank Midden-Nederland heeft reeds bepaald dat het totaalbedrag aan advocaatkosten van vóór 17 februari 2018 openbaar moet worden gemaakt. Waar het nu om gaat, zijn de kosten over de periode 17 februari 2016 tot en met 31 mei 2018. De advocaat van de korpschef is het hier niet mee eens.

Rechtsregel

Het geschil draait om art. 11a van de Advocatenwet (Advw), specifieker om de verhouding tussen de Advocatenwet en de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Art. 11a Advw zou – volgens appellante – de openbaarmaking van de gemaakte advocaatkosten belemmeren. Er zou geen beroep kunnen worden gedaan op de Wob, omdat de geheimhoudingsplicht uit art. 11a Advw “ziet op al hetgeen waarvan de advocaat uit hoofde van zijn beroepsuitoefening als zodanig kennisneemt”. Ook zou art. 11a Advw een bijzondere openbaarmakingsregeling bevatten met een uitputtend karakter en daarom derogeren aan de Wob.

De Afdeling heeft vaker overwogen dat de Wob als algemene openbaarmakingsregeling moet wijken voor bijzondere regelingen indien deze zijn neergelegd in een formele wet en indien de bijzondere regeling uitputtend van aard is. Een regeling is uitputtend als deze ertoe strekt te voorkomen dat door toepassing van de Wob afbreuk wordt gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet.

Inhoud arrest

RTL vraagt om openbaarmaking van alle kosten die zijn gemaakt bij het inhuren van advocaten door de politie. De rechtbank heeft in beroep al bepaald dat deze informatie verstrekt moeten worden. De rechtbank was in beroep van mening dat art. 11a Advw geen bijzondere openbaarmakingsregeling bevat met een uitputtend karakter, die voorgaat op de Wob. Volgens de rechtbank kan dit artikel aan de werking van de Wob derogeren in zaken waarin tussen de advocaat en diens cliënt(en) vertrouwelijke informatie wordt uitgewisseld, aangezien het geen informatie betreft die betrekking heeft op de inhoud van de zaak.

Art. 11a Advw bevat geen bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter, omdat het artikel niet regelt in welke gevallen onder de geheimhoudingsplicht vallende informatie mag worden verstrekt. In het bijzonder doelt de Afdeling op de verstrekking door een bestuursorgaan. Ook richt de in het artikel neergelegde geheimhoudingsplicht zich niet tot de ontvangers van een door een advocaat opgesteld stuk. De geheimhouding is dus niet van toepassing op stukken die appellante aan de korpschef heeft verzonden en RTL mag dan ook inzage krijgen.

Het betoog van appellante faalt derhalve en de bestreden uitspraak wordt door de Afdeling bevestigd.