ECLI:NL:RVS:2019:1025 (Verdachte belastingfraude krijgt terecht geen VOG)

Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 3 april 2019, Verdachte belastingfraude krijgt terecht geen VOG
(ECLI:NL:RVS:2019:1025)

Essentie  

Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de minister van Justitie en Veiligheid terecht een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) geweigerd aan een sollicitant die medewerker financiële zaken en partner wilde worden bij Deloitte.

Rechtsregel

Voor de beoordeling van een VOG-verzoek gelden een objectief en een subjectief criterium. Bij het objectieve criterium wordt onderzocht of de sollicitant de afgelopen vier jaar registraties in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS, in de volksmond “strafblad”) heeft staan. Is dit het geval, dan wordt in het kader van het subjectieve criterium gekeken of het risico voor de samenleving gezien de vermelde feiten zwaarder moet wegen dan het belang van de sollicitant bij het krijgen van de baan. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn onder meer de afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.

Inhoud uitspraak

In juli 2017 heeft de sollicitant een aanvraag ingediend om afgifte van een VOG voor de functie medewerker financiële zaken bij Deloitte. Het ging om een leidinggevende functie voor een team van negentig personen, waarbij de werkzaamheden onder meer zouden bestaan uit het overleggen over offertes en het afsluiten van contracten namens de organisatie.

De aanvraag is door de minister afgewezen, omdat de sollicitant binnen de terugkijktermijn van vier jaren voorkomt in het JDS. De sollicitant stond namelijk geregistreerd voor drie verdenkingen van fraude. De fraudes hebben vermoedelijk allemaal plaatsgevonden in de periode van 2008 tot 2012 en zijn pas in november 2016 geregistreerd. Hiermee is voldaan aan het objectieve criterium.

Bij de beoordeling van het subjectieve criterium is de minister uitgegaan van de datum van inschrijving in het JDS van deze verdenkingen en heeft hij geconcludeerd dat het tijdsverloop sinds 9 november 2016 te kort is om te kunnen concluderen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Bovendien gaat het om een drietal serieuze verdenkingen gedurende een langere periode.

Omdat is voldaan aan het objectieve- en subjectieve criterium, wordt de aanvraag van de VOG afgewezen.

De sollicitant stapt naar de rechtbank. Zij gaat echter mee in het oordeel van de minister.

Hoger beroep

In hoger beroep voert de sollicitant aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de peildatum voor de terugkijktermijn die geldt voor het objectieve criterium, ook als peildatum voor het vaststellen van het tijdsverloop bij de toepassing van het subjectieve criterium mocht gebruiken. Hij voert hiertoe aan dat het bij de afweging over de verstrekking van een VOG gaat om het risico voor de samenleving en dat het daarom onjuist is om bij deze afweging in alle gevallen uit te gaan van de inschrijving in het JDS en niet van de pleegdatum van het feit. De inschrijving in het JDS is immers slechts een willekeurig moment.

De Afdeling is van oordeel dat de sollicitant terecht stelt dat deze benadering van het subjectieve criterium te strikt is. Hoewel juist is dat bij fraudedelicten een uitzondering wordt gemaakt bij het bepalen van de terugkijktermijn omdat dit soort delicten veelal pas laat worden ontdekt, heeft het subjectieve criterium blijkens de in het beleid opgenomen uitleg daarvan een andere strekking. Het gaat daarbij om een afweging waarbij het risico voor de samenleving wordt bezien tegen het licht van omstandigheden, zoals de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. Dit betekent dat ook andere momenten, waaronder de pleegdatum, in deze afweging relevant kunnen zijn.

Ter zitting heeft de minister het standpunt ingenomen dat, ook indien wordt uitgegaan van de pleegdatum, de afweging van het subjectieve criterium niet in het voordeel van de sollicitant was uitgevallen. Immers is de sollicitant verdachte geweest van meerdere, serieuze vergrijpen. Deze verdenkingen van fraude laten zich niet goed rijmen met de functie die door de sollicitant wordt beoogd, namelijk die van partner bij een grote financiële organisatie.

De Afdeling gaat hierin mee: onder deze omstandigheden kon het tijdsverloop, ook indien wordt uitgegaan van de pleegdatum, er daarom niet toe leiden dat het belang dat de sollicitant heeft bij de verkrijging van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij de bescherming van het bij het objectieve criterium vastgestelde risico. De minister hoefde dan ook niet op grond van het subjectieve criterium over te gaan tot afgifte van de VOG.