ECLI:NL:RVS:2016:3131 (Ne bis in idem)

Raad van State, 23 november 2016, Ne bis in idem
(ECLI:NL:RVS:2016:3131)

Essentie

Deze uitspraak van de Raad van State betreft het ne bis in idem beginsel. Het college heeft een verzoek van appellante om wijziging van de van haar in de GBA (tegenwoordig BRP) geregistreerde persoonsgegevens afgewezen.

Rechtsregel

Een bestuursorgaan mag een aanvraag altijd inhoudelijk behandelen. Het besluit moet dan aan alle rechtmatigheidseisen voldoen. Het bestuursorgaan kan de aanvraag verkort behandelen op basis van art. 4:6 lid 2 Awb. Mag als er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn uitgevoerd. De rechter dient dit vol te toetsen. Indien er beleid is om de herhaalde aanvraag te behandelen, moet dit beleid gevolgd worden. Tevens als deze rechtens onaantastbaar is. Wanneer dit beleid ontbreekt, moet bestuursorgaan wel een standpunt innemen met betrekking tot art. 4:6 Awb. Het standpunt en het beleid mogen niet in strijd zijn met art. 3:4 lid 2 Awb.

Inhoud

Op 25 november 2009 heeft appellante het college verzocht de in de GBA geregistreerde persoonsgegevens te wijzigen. Het college heeft dit verzoek afgewezen.
Op 16 april 2010 heeft appellante het college verzocht om dezelfde wijziging in de GBA. Dit tweede verzoek heeft het college afgewezen bij besluit van 3 mei 2010.
Op 30 november 2012 heeft appellante het college wederom verzocht om dezelfde wijziging van deze persoonsgegevens. Bij het besluit van 18 december 2012 heeft het college dit verzoek afgewezen. In bezwaar heeft het college deze afwijzing met toepassing van artikel 4:6 lid 2 Awb gehandhaafd onder verwijzing naar de eerdere besluiten. Daaraan heeft het ten grondslag gelegd dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden sinds die eerdere besluiten.

Uitgangspunt is dat een bestuursorgaan bevoegd is om een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en het oorspronkelijke besluit in zijn geheel te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan zo’n aanvraag inwilligen of afwijzen. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Een bestuursorgaan mag dit ook als aan het verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd. Het bestuursorgaan kan er volgens artikel 4:6 lid 2 Awb voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
Als de herhaalde aanvraag of het verzoek terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden wordt afgewezen, dan toetst de bestuursrechter het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden alsof dit het eerste verzoek betreft.

Als de bestuursrechter oordeelt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd tevens tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit onredelijk is. Als het bestuursorgaan beleid voert, toetst de bestuursrechter eerst of het bestuursorgaan een juiste toepassing heeft gegeven aan zijn beleid.

De rechtbank is het college ten onrechte gevolgd in zijn standpunt dat de identiteitskaart geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is, omdat niet zou zijn gebleken dat appellante die kaart niet ook al in de vorige procedure over had kunnen leggen. Appellante heeft verklaard dat het sinds 2010 mogelijk was die identiteitskaart aan te vragen, maar in de bestuurlijke fase is onduidelijk gebleven vanaf wanneer in 2010 die mogelijkheid bestond. Omdat het tweede verzoek van appellante is afgewezen, betoogt appellante terecht dat het college ten onrechte als vaststaand heeft aangenomen dat zij die identiteitskaart mede aan haar tweede verzoek had kunnen overleggen. Gezien de door appellante overgelegde stukken en het grote belang dat wordt gehecht aan juiste vermelding van persoonsgegevens in de BRP, had het college hier nader onderzoek naar kunnen doen, alvorens het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Door dit na te laten heeft het college het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is het besluit in strijd met artikel 3:2 Awb genomen. Het college heeft het verzoek daarom ten onrechte op de in het besluit gebruikte motivering afgewezen wegens het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Het college dient in casu een nieuw besluit te nemen.