ECLI:NL:RVS:2003:AI0801 (Brummen)

Brummen, RvS 6 augustus 2003
(ECLI:NL:RVS:2003:AI0801)

Door Julia Verschoor

Essentie
Om de rechtszekerheid te waarborgen, mogen een bestuursorgaan en de belanghebbenden ervan uitgaan dat een besluit rechtmatig is als de beroepsgronden door de rechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. In sommige gevallen kan het verstandig zijn om alsnog in hoger beroep te gaan als bepaalde gronden niet uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, zelfs als het beroep gegrond is.

Rechtsregel
Als er in de beroepsprocedure tegen het nieuwe besluit op bezwaar beroepsgronden worden aangevoerd, die door de rechtbank in eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, dan moet er van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden worden uitgegaan. Er ontstaat dan namelijk gezag van gewijsde. Rechtszekerheid brengt met zich mee dat men van rechtmatigheid van het besluit mag uitgaan wanneer het besluit onherroepelijk is.

Inhoud arrest
Bij besluit van 2 februari 1999 heeft het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) Brummen (appellant) een dwangsom opgelegd voor het geval dat hij het voor agrarische doeleinden bestemde materialen op zijn perceel niet zou verwijderen. Hiertegen heeft appellant op 6 juli 1999 een bezwaarschrift ingediend. Dit is vervolgens ongegrond verklaard. Appellant is hierna in beroep gegaan en op 16 februari 2001 is dit beroep gegrond verklaard en daarmee het besluit van 6 juli 1999 vernietigd. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Op 8 mei 2011 heeft het college het op 2 februari 1999 gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Dit zag echter alleen op verlaging van de dwangsom met betrekking tot de auto met aanhanger, pomp en kraan die zich op het perceel van appellant bevonden. Tegen het overige is appellant weer in beroep gegaan. Vervolgens heeft de rechtbank het op 21 oktober 2002 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant op 22 november 2002 hoger beroep ingediend bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat appellant er ten onrechte vanuit is gegaan dat de grondslag voor handhaving van de dwangsom bij de beslissing op bezwaar is weggevallen. Daarnaast heeft appellant geen rechtsmiddel ingesteld tegen de overtreding van de overige materialen, die zich op zijn perceel bevonden (naast de auto met aanhanger, de pomp en de kraan).

Het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank heeft tot gevolg, dat als er nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in de eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden moet uitgaan.

Het is niet de bedoeling dat de rechtbank een eerder uitdrukkelijk en zonder voorbehoud verworpen beroepsgrond(en) voor een tweede maal beoordeelt. Dit miskent het gezag van de rechterlijke uitspraak. Daarnaast brengt de rechtszekerheid met zich mee dat het betrokken bestuursorgaan en belanghebbenden er vanuit mogen gaan dat het besluit rechtmatig is. Alleen bijzondere omstandigheden kunnen ertoe leiden dat het niet instellen van hoger beroep niet aan appellant kan worden toegerekend.

Tot slot oordeelt de Raad van State dat het college wegens de overtreding een dwangsom mocht opleggen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard.