ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153 (Kwantum Nederland B.V., Praxis en Maxis)

Kwantum Nederland B.V. (Praxis en Maxis), ABRvS 9 mei 1996
(ECLI:NL:RVS:1996:ZF2153)

Door Marsha Simon

Essentie
In deze uitspraak benadrukt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat ook onder de Algemene wet bestuursrecht de uitoefening van discretionaire bestuursbevoegdheid in de regel marginaal door de rechter moet worden getoetst. Relevant aan deze uitspraak is het arrest Doetinchemse Woonruimtevordering (HR 25-02-1949). Bij artikel 3:4, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Rechtsregel
Bij een discretionaire bevoegdheid kan de rechter de door een bestuursorgaan (ingevolge artikel 3:4, tweede lid, Awb) te maken belangenafweging slechts marginaal toetsen. Het is aan het bestuursorgaan om de belangen af te wegen en tot het al dan niet uitoefenen van de betreffende (discretionaire) bevoegdheid te komen. Er is voor de rechter pas reden tot ingrijpen indien er sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

Volledigheidshalve moet er op worden gewezen dat de Afdeling bestuursrechtspraak hier een hoofdregel formuleert. In bepaalde gevallen moet de rechter wél vol toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dat doet zich bijvoorbeeld voor in de sfeer van de bestraffende bestuursrechtelijke sancties. Hier is de rechter, mede in het licht van de eisen die voortvloeien uit het verdragenrecht (artikel 6 EVRM), bevoegd en tevens verplicht om de hoogte van de opgelegde sancties aan het evenredigheidsbeginsel te toetsen.

Inhoud arrest
Kwantum Nederland b.v. is voornemens een winkel te openen op het industrieterrein ‘De Veegtes’ in Venlo. Het thans geldende bestemmingsplan laat detailhandel op dit industrieterrein niet toe. Burgemeester en wethouders van Venlo hebben wel de mogelijkheid om vrijstelling van dat verbod te verlenen. De aanvraag om een vrijstelling te verlenen wordt gecompliceerd doordat er in een vergevorderd stadium plannen bestaan om een woonthema-centrum te vestigen op hetzelfde industrieterrein.

De gemeenteraad van Venlo zal moeten oordelen over de bestemmingsplanwijziging die noodzakelijk is voor de vestiging van het woonthema-centrum. Burgemeester en wethouders van Venlo verlenen vooralsnog de vrijstelling aan Kwantum Nederland B.V.. Tegen dit besluit komen Maxis B.V., Praxis Vastgoed B.V. en Praxis Doe-het-zelf Center B.V. (kort gezegd: ‘Maxis en Praxis’) op. De rechtbank heeft de beroepen van Maxis en Praxis gegrond verklaard.

De rechtbank acht het met name bezwaarlijk dat burgemeester en wethouders door het verlenen van de vrijstelling een voorschot nemen op de binnen afzienbare tijd te verwachten besluitvorming door de gemeenteraad over het woonthema-centrum. De rechtbank komt tot de conclusie dat de nadelige gevolgen van het besluit tot verlening van de vrijstelling aan Kwantum Nederland B.V. voor Maxis en Praxis onevenredig zijn, ten opzichte van de met dat besluit te dienen doelen.

Daarop vernietigt de rechtbank het bestreden besluit wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:4, tweede lid Awb. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat de rechtbank, door aldus te overwegen, “blijk [heeft] gegeven van een onjuist opvatting omtrent de betekenis van het bepaalde bij artikel 3:4, tweede lid van de Awb voor de toetsing door de rechter van de uitoefening door het bestuur van een bevoegdheid, als waar het hier om gaat”. In casu had de Roermondse rechtbank het uitgangspunt van de marginale toetsing miskend.

De rechtbank had zich dienen te beperken tot de vraag of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid van de afweging van de betrokken belangen, dat moet worden geoordeeld dat burgemeester en wethouders van Venlo niet in redelijkheid tot verlening van de gevraagde vrijstelling hebben kunnen komen. Volgens de memorie van antwoord is het echter niet de bedoeling dat de rechter gaat beoordelen welke nadelige gevolgen nog wel en welke niet meer evenredig zijn, of dat de rechter gaat uitmaken welke uitkomst van de belangenafweging als het meest evenwichtig moet worden beschouwd.

Opgemerkt dient te worden dat in casu ‘vol’ toetsen door de bestuursrechter op gespannen voet zou staan met de Trias Politica (machtenscheiding). Niet geoorloofd is het dat de rechter in geval van beleidsvrijheid zou kunnen bepalen welke manier van bevoegdheidsuitoefening het ‘meest evenredig’ is. De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de beroepen van Maxis en Praxis bij de rechtbank ongegrond. Gelet op het vorenstaande, is het hoger beroep gegrond en dient de aangevallen uitspraak van de rechtbank te worden vernietigd.