ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850 (Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers)

Stichting Silicose Oud-Mijnwerkers, ABRvS 30 november 1995
(ECLI:NL:RVS:1995:ZF1850)

Door Marsha Simon

Essentie
In dit arrest komt het begrip bestuursorgaan uit de Algemene Wet Bestuursrecht aan de orde. De vraag of de stichting Silicose Oud-Mijnwerkers kan worden gezien als een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 van de Awb staat centraal. Dit is van belang omdat ingevolge artikel 1:3, eerste lid van de Awb, alleen besluiten van bestuursorganen onder de werking van de Awb vallen. De Hoge Raad heeft bepaald dat de stichting is aan te merken als een college, met enig openbaar gezag bekleed, als omschreven in artikel 1:1, eerst lid, onder b van de Awb.

Rechtsregel
De Afdeling is van oordeel dat de stichting bij de toekenning van de vergoeding op de voet van artikel 4, eerste lid, van het Reglement, openbaar gezag uitoefent in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Dat de statuten van de stichting niet voorzien in invloed van de Staatssecretaris op haar samenstelling en werkwijze, doet daaraan niet af, nu is gesteld noch gebleken dat het Rijk de vergoedingen zonder meer voor zijn rekening zou blijven nemen, indien de stichting het Reglement op het punt van degenen die voor een vergoeding in aanmerking komen, eenzijdig zou wijzigen.

Nu de uitvoering van het Reglement in het onderhavige geval neerkomt op de uitoefening van een overheidstaak, die in dat Reglement nader is bepaald, draagt het besluit omtrent toekenning van een vergoeding het karakter van een publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb.

Inhoud arrest
De stichting Silicose Oud-Mijnwerkers is opgericht op 26 april 1993. Uit artikel 2, eerste lid van de statuten blijkt dat de stichting het behartigen van belangen van oud-mijnwerkers, lijdende aan silicose, het beheren van de daarvoor beschikbare gelden, alsmede het toekennen van een financiƫle bijdrage aan bedoelde oud-mijnwerkers tot doel heeft. Ingevolge hiervoor genoemd artikel van de statuten tracht de stichting dit doel onder meer te verwezenlijken met behulp van de door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de provincie daartoe ter beschikking gestelde gelden en andere subsidies en donaties, alsmede door al hetgeen verder ter bereiking van het doel bevorderlijk kan zijn.

Het bestuur van de stichting heeft bij besluit van 18 april 1994 het reglement eenmalige uitkering silicose-vergoeding oud-mijnwerkers (hierna: het Reglement) vastgesteld. Het Reglement voorziet in de toekenning van een eenmalige vergoeding aan nog in leven zijnde oud-mijnwerkers, die door het verrichten van arbeid in het Nederlandse mijnbedrijf de ziekte silicose hebben opgelopen. In artikel 2 van het Reglement is bepaald, wie als belanghebbende wordt aangemerkt.

De stichting heeft geweigerd om aan belanghebbenden een vergoeding als bedoeld in artikel 4, eerste lid van het Reglement toe te kennen, omdat in hun geval niet is voldaan aan het vereiste in artikel 5, onder a, dat hun echtgenoot op of na 16 december 1992 is overleden. De stichting heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft overwogen dat de stichting een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1 van de Awb. De stichting heeft betoogd dat zij niet als bestuursorgaan in de zin van de Awb is aan te merken.

Niet in geschil is dat de stichting geen rechtspersoon is, als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, onder a van de Awb. Ter beoordeling staat of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de stichting is aan te merken als een persoon of college in de zin van onderdeel b van deze bepaling. Voor het antwoord op die vraag is van belang of de beslissingen omtrent toekenning van de in artikel 4, eerste lid van het Reglement bedoelde vergoeding worden genomen ter uitoefening van enig openbaar gezag, als bedoeld in die bepaling.

Daartoe dient nader te worden bezien, welke rol is van de overheid bij de toepassing door de stichting van voormeld artikel 4, eerste lid van het Reglement. De Hoge Raad deelt de mening van de rechtbank, dat de stichting is aan te merken als een college, met enig openbaar gezag bekleed, als omschreven in artikel 1:1, eerst lid, onder b van de Awb. Bepalend hiervoor is dat het Rijk en de Provincie nauw betrokken zijn geweest bij de oprichting en verdere functionering van de stichting, alsmede de financiering van de silicose-vergoedingen.