ECLI:NL:RBZWB:2020:6012 (twintig jaar en TBS voor Bredase brandmoord)

Rb. Zeeland-West-Brabant, 4 december 2020, twintig jaar en TBS voor Bredase brandmoord
(ECLI:NL:RBZWB:2020:6012)

Essentie

Op 4 december jl. is verdachte veroordeeld voor de moord die hij op 8 april 2019 heeft gepleegd. Samen met een andere man heeft verdachte het slachtoffer in diens garage vastgebonden aan een stoel en drie kwartier lang bedreigd hem in de fik te steken, nadat slachtoffer telkens wasbenzine over hem heen kreeg gegooid. Uiteindelijk voegde de verdachte de daad bij het woord, waarna hij met de auto van het slachtoffer wegreed.

Rechtsregel

Aangezien de raadsman van verdachte aanvoerde dat er sprake was van een mogelijke psychische stoornis is naar zulks onderzoek gedaan. In hoeverre hier rekening mee gehouden moest worden in de strafmaat was dan ook een kwestie in deze zaak. De rechtbank heeft na het onderzoek vastgesteld dat er inderdaad sprake was van een psychische stoornis bij de verdachte ten tijde van de moord, waardoor de rechtbank oordeelde dat de toerekeningsvatbaarheid van verdachte enigszins verminder was.

Inhoud

Het slachtoffer werd op 8 april in zijn garage overmand door twee mannen die hem vastbonden aan een stoel, waarna een van de mannen hem drie kwartier lang telkens met wasbenzine besproeide en dreigde hem in brand te steken. Na verloop van tijd heeft de verdachte dit ook gedaan. Daarna ging hij er vandoor in de auto van het slachtoffer, dwars door de garagedeur. Slachtoffer maakte zichzelf los en probeerde zichzelf te blussen. Hij zocht hulp en werd naar het brandwondencentrum gebracht. Helaas waren zijn verwondingen van zodanige ernst dat hij kwam te overlijden in het bijzijn van zijn vrouw en zoon. Door het feit dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daad in het proces, zo ook door de gruwelijke wijze van de moord en het leed wat dat voor de nabestaande heeft meegebracht, heeft de rechtbank de verdachte veroordeeld tot twintig jaar celstraf, alsmede TBS met dwangverpleging. De rechtbank heeft de eis van de Officier van Justitie gevolgd, mede doordat de rechtbank het niet verantwoord vindt dat verdachte na zijn straf zonder behandeling zou terugkeren in de maatschappij.