ECLI:NL:RBROT:2022:90 (Herplaatsingsverplichting)

Rechtbank Rotterdam, 6 januari 2022, herplaatsingsverplichting na het niet succesvol afronden vereiste opleiding
(ECLI:NL:RBROT:2022:90)

Essentie

Werkneemster heeft een verplichte opleiding niet met succes afgerond. Als gevolg eindigt haar arbeidsovereenkomst van rechtswege, omdat er een ontbindende voorwaarden vervult is. De vraag die in onderhavige zaak centraal staat is of de Staat (als zijnde werkgever), de werkneemster had moeten herplaatsen binnen een andere functie.

Rechtsregel

Indien er geen sprake is van een herplaatsingsverplichting (op grond van de wet of een beleidsregel), dan handelt een werkgever niet in strijd met de norm van goed werkgeverschap wanneer de arbeidsovereenkomst niet wordt voortgezet in een andere functie.

Indien een arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt – omdat er een ontbindende voorwaarden is vervuld – dan is een werkgever niet gehouden om te motiveren waarom de arbeidsovereenkomst niet verlengd wordt of herplaatsing niet aan de orde is.

Inhoud

De feiten

Verzoekster in onderhavige zaak is per 1 mei 2021 in dienst getreden bij de Staat in de functie van Medewerker Douane groepsfunctie C. Het betrof een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor de duur van één jaar en drie maanden. In de arbeidsovereenkomst stond een ontbindende voorwaarden opgenomen. Voor groepsfunctie C is een (start)opleiding noodzakelijk. Indien deze opleiding niet succesvol wordt voltooid dan eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege. Vereist was dat verzoekster de modules formeel strafrecht, materieel strafrecht en proces-verbaal, met een voldoende resultaat zou afronden. Echter, verzoekster heeft de module formeel strafrecht tot drie keer toe met een onvoldoende afgesloten. Dientengevolge heeft de Staat  op 16 september 2021 aan verzoekster medegedeeld dat haar arbeidsovereenkomst met ingang van 9 september 2021 van rechtswege geëindigd is. Het was voor verzoekster immers niet meer mogelijk om de opleiding met succes af te ronden. Op 21 september 2021 heeft verzoekster de Staat op een beleidsregel gewezen waarin onder meer staat opgenomen dat ca. 95-98% van alle cursisten de opleiding succesvol afrondt. Volgens de beleidsregel bestaat er voor de overige 2-5% een mogelijkheid om alsnog geplaatst te worden in een werkproces waarvoor geen Boa-akte vereist is. In de beleidsregel wordt echter benadrukt dat voorgaande geen garantie is, maar een maatwerkoplossing. De Staat heeft vervolgens ongemotiveerd besloten het dienstverband van verzoekster niet op een ander onderdeel voort te zetten.

Het verzoek

Verzoekster verzoekt de rechtbank voor recht te verklaren dat de Staat in strijd heeft gehandeld met de norm van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW), omdat haar (ongemotiveerd) geen aanvullend dienstverband is aangeboden in een andere functie. Daarnaast moet de Staat veroordeeld worden tot herstel van de arbeidsrelatie door het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst in een passende functie, aldus verzoekster. Tevens is verzoekster van mening dat de staat niet heeft voldaan aan de aanzegverplichting (art. 7:688 lid 1 BW), zodat zij recht heeft op een aanzegvergoeding.

Het verweer

De Staat stelt zich op het standpunt dat de verzoeken afgewezen moeten worden. De arbeidsovereenkomst is immers van rechtswege beëindigd en in dat geval is er geen sprake van een herplaatsingsverplichting (art. 7:699 lid 1 BW). In verband hiermee vindt het motiveringsbeginsel geen toepassing. Nu er geen wettelijke herplaatsingsverplichting bestaat en herplaatsing op grond van de beleidsregel niet verplicht is, kan dat niet tot de conclusie leiden dat de Staat zich niet als goed werkgever gedragen heeft, aldus de Staat. Wat betreft de aanzegvergoeding is de Staat van mening dat de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4 sub e BW is ingetreden. Tevens stelt de Staat dat er geen recht is op een aanzegvergoeding indien de arbeidsovereenkomst eindigt op een tijdstip dat niet op een kalenderdatum is gesteld (art. 7:668 lid 2 BW).

De beoordeling

De rechtbank wijst er op dat tussen partijen niet in geschil is dat er geen sprake is van een herplaatsingsverplichting op grond van art. 7:699 lid 1 BW. Tevens verplicht de beleidsregel de Staat evenmin om verzoekster te herplaatsen in een andere functie na het niet behalen van haar opleiding. In de beleidsregel staat immers opgenomen dat het gaat om een mogelijkheid en niet om een verplichting. De rechtbank oordeelt gelet op voorgaande dat de Staat niet in strijd heeft gehandeld met de norm van goed werkgeverschap door de arbeidsovereenkomst niet voort te zetten in een andere functie. De rechtbank stelt daarnaast dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege is geëindigd, omdat de ontbindende voorwaarden is vervuld. In een dergelijk geval is de Staat niet gehouden om het einde van de arbeidsovereenkomst en de rede voor het niet herplaatsen te motiveren. Tot slot oordeelt de rechtbank dat de Staat geen aanzegvergoeding verschuldigd is. Verzoekster heeft immers nagelaten om hier binnen de vervaltermijn een beroep op te doen. Derhalve worden alle verzoeken van verzoekster afgewezen en wordt zij volledig in het ongelijk gesteld.