ECLI:NL:RBROT:2021:2968 (registratievereiste cryptodiensten)

Rechtbank Rotterdam, 7 april 2021
(ECLI:NL:RBROT:2021:2968)

Essentie

In deze uitspraak erkent de rechtbank Rotterdam de bezwaren van Bitonic over de registratieprocedure en rechtmatigheid van de walletverificatie-eis die in Nederland worden gesteld door De Nederlandse Bank.

Rechtsregel

Bij de voorzieningenrechter bestaan twijfels of De Nederlandse Bank (DNB), gelet op de (Europese) wet- en regelgeving, het registratievereiste heeft kunnen uitwerken op de wijze waarop zij dat in dit geval heeft gedaan. De invulling die DNB aan het registratieregime heeft gegeven in het geval van Bitonic lijkt naar voorlopig oordeel kenmerken te vertonen van een vergunningsregime, nu de invulling van het registratievereiste is onderworpen aan een vrij ver gaande voorafgaande toetsing. Het registratievereiste wordt niet geschorst, maar de DNB moet dit vereiste wel nader motiveren in de beslissing op bezwaar.

Inhoud arrest

Bitonic is een aanbieder van cryptodiensten in Nederland, welke zich bezig houdt met het omwisselen van fiat valuta (giraal geld) naar bitcoin en vice versa. Daarnaast exploiteert zij een platform voor het handelen in bitcoin en litecoin. De klant kan, overeenkomstig de algemene voorwaarden van Bitonic, alleen cryptovaluta verzenden naar zijn of haar eigen (zelfbeheerde) wallet. De dienstverlening van Bitonic ziet dus niet op het verrichten van transacties met derden.

De Nederlandse Bank (DNB) heeft bij besluit cryptomuntenhandelaar Bitonic een registratie verleend als aanbieder van cryptodiensten. Deze registratie is verplicht op basis van artikel 23b, eerste en tweede lid, van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Bitonic is het niet eens met het registratievereiste en heeft dit aan de orde gesteld bij DNB. Uiteindelijk heeft Bitonic bij brief van 12 november 2020 verklaard het registratievereiste ‘onder protest’ te zullen implementeren in haar interne procedures en dit vereiste te zullen toepassen in de praktijk. Vervolgens heeft Bitonic bezwaar gemaakt tegen het besluit.

Een van de vereisten die bij de registratie worden gesteld is dat Bitonic de identiteit van een klant vaststelt, controleert en screent tegen de sanctielijsten. Dat betekent volgens DNB dat Bitonic bij iedere transactie van en naar een externe wallet moet vaststellen dat deze persoon daadwerkelijk de ontvanger of verzender is. In de praktijk komt dit erop neer dat gebruikers screenshots moeten delen van hun walletadres waar ze gekochte crypotmunten naar willen sturen, om te bewijzen dat dit ook daadwerkelijk hun adres is. Dit om witwassen en terrorismefinanciering tegen te gaan. Hiertegen heeft Bitonic bezwaar gemaakt bij DNB. Bitonic stelt dat die vereiste geen deugdelijke wettelijke basis heeft en in strijd is met de privacyregelgeving.

De voorzieningenrechter geeft in deze zaak een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het registratievereiste. Hoewel DNB zich op het standpunt stelt dat zij de ruimte aan aanbieders biedt om oplossingen te kiezen, is het uitgangspunt van DNB wel dat Bitonic bij elke transactie – ook bij transacties waarbij de cliënt cryptovaluta verzendt naar of ontvangt van zijn eigen wallet – de identiteit en de woonplaats van de tegenpartij vaststelt en vaststelt dat deze persoon ook daadwerkelijk de ontvanger of verzender is. De vraag is of dat proportioneel en noodzakelijk is om de doelstellingen van de wetgeving na te leven. Dit betekent niet dat het registratievereiste evident onjuist of onrechtmatig is. Daarvoor is meer onderzoek nodig. De voorzieningenrechter weegt de belangen af. Het registratievereiste wordt niet geschorst. Wel moet DNB het registratievereiste nader motiveren in de beslissing op bezwaar. De voorzieningenrechter draagt DNB op om binnen zes weken op het bezwaar van Bitonic te beslissen.