ECLI:NL:RBROT:2021:11858 (Veroordeling voor deelname aan een terroristische organisatie en opruiing tot een terroristisch misdrijf)

Rechtbank Rotterdam, 2 december 2021, Veroordeling voor deelname aan een terroristische organisatie en opruiing tot een terroristisch misdrijf
(ECLI:NL:RBROT:2021:11858)

Essentie

De rechtbank veroordeelt verdachte  voor deelname aan een terroristische organisatie en opruiing tot een terroristisch misdrijf. Hij zou betrokken zijn bij een rechtsextremistische organisatie en het plaatsten van opruiende berichten op social media.

Rechtsregel

Voor de toetsing van deelneming aan een terroristische organisatie, opruiing tot een terroristisch misdrijf en/of het verspreiden en/of in voorraad hebben ter verspreiding van een afbeelding waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid, dient er gekeken te worden naar de voorwaarden die voortvloeien uit de artikelen 131, 132, 140a en 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Inhoud vonnis

Aanleiding
Naar aanleiding van een ambtsbericht van de AIVD, waarin staat dat de verdachte deel uitmaakt van de in de Verenigde Staten aangemerkte terroristische organisatie The Base, start de politie een opsporingsonderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt verdachte het volgende ten laste gelegd:

– deelneming aan de terroristische organisatie The Base (feit 1);

– opruiing (door middel van geschriften en/of afbeelding) tot (een) terroristische misdrij(f)(ven) en/of enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag (feit 2 onder A) en/of

– het verspreiden en/of in voorraad hebben ter verspreiding van een afbeelding waarin tot een terroristisch misdrijf wordt opgeruid (feit 2 onder B).

Feit 1
Organisatie met terroristisch oogmerk

De rechtbank beoordeelt allereerst of sprake is van een organisatie in de zin van artikel 140a/140 Sr. Hierbij neemt zij als uitgangspunt dat voldaan moet zijn aan drie vereisten: er moet sprake zijn van een samenwerkingsverband, deze moet een zekere duurzaamheid en structuur hebben en deze moet bestaan tussen tenminste twee personen.  De rechtbank overweegt dat The Base – een vertaling van het Arabische Al-Qaida – in 2018 is opgericht door een Amerikaan. The Base is een relatief goed georganiseerde en internationaal vertakte rechts-extremistische organisatie. Er zijn naast een leider en oprichter ook vertrouwelingen en een groot aantal Telegram-volgers. Bovendien heeft The Base recruiters en een team dat virtuele sollicitatiegesprekken afneemt. Andere taken van de organisatie zijn onder andere het verspreiden van propaganda ter werving én als geweldsoproepen, het hosten van de digitale omgeving en het aanbieden van literatuur en handleidingen. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat The Base een internationaal samenwerkingsverband is met een zekere duurzaamheid en structuur tussen meerdere personen en dus een organisatie is als bedoeld in artikel 140 Sr.

Oogmerk
Vervolgens beoordeelt de rechtbank de vraag of en zo ja welk oogmerk The Base had: het oogmerk tot het plegen van misdrijven (artikel 140 Sr) of tot het plegen van terroristische misdrijven (artikel 140a Sr). De wetgever heeft het terroristisch oogmerk in artikel 83a Sr – kort samengevat – omschreven als een gedraging die het oogmerk heeft om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen dan wel de overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel (internationale) structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen. Het oogmerk is het naaste doel van de dader, het is datgene wat hij wil of waar het hem om te doen is. Het motief hiervoor kan economisch, politiek of religieus geïnspireerd zijn.

Uit het dossier blijkt dat The Base streeft naar het versnellen van een ineenstorting van ‘het systeem’, het uitlokken van een rassenoorlog en het instellen van een witte etnostaat. De formele doelstelling van The Base is survivaltraining. Echter, paramilitaire survivaltraining is in de VS vaak een middel tot een omstreden doel. Dat is ook bij The Base het geval. De training heeft namelijk als doel om de leden geestelijk en lichamelijk voor te bereiden op de aanstaande burgeroorlog. De rechtbank oordeelt dat deze feiten maken dat bij The Base sprake is van een terroristisch oogmerk, bestaande uit het aanjagen van vrees bij (een deel van) de bevolking en/of het ernstig ontwrichten/vernietigen van fundamentele politieke, constitutionele, economische en sociale structuren.

Deelneming
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie. Van deelneming aan een criminele (terroristische) organisatie is sprake indien een betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteuning biedt aan, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Het is voldoende dat een betrokkene in zijn algemeenheid – in de zin van onvoorwaardelijk opzet – weet dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat een betrokkene enige vorm van opzet heeft op de door de terroristische organisatie beoogde concrete misdrijven. Wetenschap van een of meer concrete misdrijven is niet vereist. Evenmin is vereist dat een betrokkene zelf heeft meegedaan of meedoet aan de misdrijven die door andere leden van de organisatie zijn respectievelijk worden gepleegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte via een chat berichten heeft uitgewisseld over The Base, het logo van The Base op een gebouw heeft gemaakt door middel van spray paint, meerdere personen met The Base in contact heeft gebracht en ten minste twee personen heeft gerekruteerd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat kan worden bewezen dat de verdachte lid is geweest van en (daarmee) deelnemer aan de terroristische organisatie The Base die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven.

Feit 2
Openbaarheid
Verdachte wordt verder verweten dat hij via twee Telegramgroepen opruiende berichten zou hebben verstuurd. De rechtbank overweegt hierover allereest dat met de term opruiing wordt bedoeld dat wordt geprobeerd om anderen een feit te laten plegen dat als strafbaar feit kan worden beschouwd. De artikelen 131 en 132 Sr vereisen dat de opruiing in het openbaar plaatsvindt op mondelinge wijze, bij afbeelding of bij geschrift. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waarop de teksten zijn weergegeven.

Ten aanzien van de eerste Telegramgroep stelt de rechtbank vast dat uit het politieonderzoek is gebleken dat deze groep openbaar is. Van de tweede Telegramgroep kan niet worden vastgesteld of het om een openbare groep gaat. Wel staat vast dat de groep op de dag waarop de telefoon van verdachte in beslag is genomen, minstens 21 deelnemers telde, dat het een groeiende groep betreft, dat nieuwe deelnemers welkom zijn in de groep en dat andersdenkenden ook toegang hebben tot de groep. Hierdoor vormt de Telegramgroep volgens de rechtbank op zichzelf een publiek en zijn uitlatingen binnen deze groep in de openbaarheid gebracht.

Opruiend van aard met terroristisch oogmerk?
De rechtbank beoordeelt vervolgens of de teksten opruiend van aard zijn. Hiertoe overweegt de rechtbank dat een aantal berichten zonder meer opruiend van aard is, aangezien hierin wordt opgeroepen tot geweld c.q. het doden van gekleurde mensen, homoseksuelen en Joden. Andere berichten zijn op zichzelf niet opruiend. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat het er bij sociale media om gaat een publiek te vinden, en ‘volgers’ te verleiden de gedeelde berichten en daarmee (uiteindelijk) ook de achterliggende boodschap te lezen. Daarbij vervullen ook op zichzelf beschouwd onschuldige – althans: mogelijk niet opruiende – berichten en (audio)visuele bestanden een nuttige functie, omdat zij de aandacht van potentieel geïnteresseerden kunnen trekken en vasthouden. Ten slotte speelt voor het opruiend karakter nog een rol dat de bestanden herhaaldelijk bekeken kunnen worden. Bestanden die op internet worden gezet verdwijnen immers niet, althans niet ‘vanzelf’. De opruiende werking die ervan uitgaat wordt versterkt door het gegeven dat de inhoud van die berichten permanent is op te roepen. De uitlatingen die op zichzelf niet opruiend zijn, zijn door de verdachte in een (openbare) Telegramgroep geplaatst die tot doel heeft rechtsextremistisch propagandamateriaal te verspreiden, waarin het gebruik van grof geweld wordt aangemoedigd met als aannemelijk doel het werven van leden voor The Base. In dat licht bezien, kan het plaatsen van dergelijke uitlatingen in een rechtsextremistische Telegramgroep als opruiend worden beschouwd.

De verdachte heeft de berichten/afbeeldingen ook verspreid, aangezien de verdachte deze heeft gedeeld in een openbare Telegramgroep.

Opzet
De verdachte heeft als deelnemer aan The Base via (openbare) sociale media kanalen volgens de ideologie van het rechtsextreme accelerationisme gehandeld door berichten en een afbeelding te verspreiden om aanhangers voor The Base te verwerven en op te roepen tot geweld tegen gekleurde mensen, homoseksuelen en Joden. De opzet tot opruiing en verspreiding ter opruiing (tot een terroristisch misdrijf) is daarmee gegeven.

Conclusie
Gelet op vorenstaande gedragingen van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing (tot zowel enige strafbare feiten als tot terroristische misdrijven) en verspreiding ter opruiing tot een terroristisch misdrijf.

Straf
Uit een NIFP-rapport blijkt dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten sprake was van een autismespectrumstoornis en van een persisterende depressieve stoornis. Aangezien de verdachte in zijn vrije tijd nauwelijks tot geen vrienden heeft, brengt hij deze tijd door achter de computer. Hier verdiept hij zich online in het (neo)nazisme en wordt hij actiever op sociale media. De rechtbank oordeelt dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 200 uren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden, die zij dadelijk uitvoerbaar verklaart. Daarnaast legt de rechtbank de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr op.