ECLI:NL:RBROT:2019:6037 (Donaties verrekenen met door feit veroorzaakt nadeel)

Rechtbank Rotterdam, 16 juni 2019 (Donaties verrekenen met door feit veroorzaakt nadeel)
(ECLI:NL:RBROT:2019:6037)

Essentie
Dit vonnis gaat over een minderjarige verdachte die openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen het minderjarige slachtoffer. Door het slachtoffer is een vordering benadeelde partij ingediend, waarin het slachtoffer de rechtbank vraagt om een bedrag van ruim € 1.000, – aan immateriële schade. De verdediging heeft zich in deze zaak op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat er reeds geld is opgehaald in de vorm van donaties van burgers.

Rechtsregel
De rechtbank moest beantwoorden of het redelijk is om de door het slachtoffer ontvangen donaties van burgers, aangemerkt als voordeel uit strafbare feit, te verrekenen met het door het strafbare feit veroorzaakt nadeel. Oftewel: ­zijn de donaties te verrekenen met het toe te kennen smartengeld?

De vraag wordt ontkennend beantwoord. De rechtbank stelt dat “de uitkeringen die derden uit vrijgevigheid in verband met de schadetoebrenging hebben gedaan in beginsel niet voor verrekening in aanmerking komen in het kader van art. 6:100 BW.” De rechtbank vindt het aannemelijk dat de donaties zijn gedaan uit ideële motieven om de benadeelde partij en zijn gezin steun te bieden in de vervelende periode die ze doormaken. Deze donaties betreffen dus onverplichte giften. De rechtbank vindt het daarom onredelijk om rekening te houden met de donaties bij het vaststellen van het smartengeld.

Inhoud vonnis
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op 18 januari 2019 in Spijkenisse openlijk in vereniging (met nog drie vrienden) geweld heeft gepleegd tegen het slachtoffer. Dit geweld bestond onder meer uit het slaan, stompen, trappen dan wel schoppen tegen het hoofd, bovenlichaam en benen van het slachtoffer. De officier van justitie heeft de rechtbank gevraagd om de verdachte te veroordelen tot voorwaardelijke jeugddetentie van 2 weken met een proeftijd van twee jaar, alsmede een werkstraf voor de duur van 40 uur en een leerstraf voor de duur van 20 uur. De officier van justitie vindt het feit bewezen, omdat de verdachte heeft bekend. Uiteraard is er nog aanvullend bewijs. Voorts wordt er smartengeld gevorderd ad € 969,-

De rechtbank gaat mee in de strafeis van de officier van justitie vanwege de ernst van het feit. De verdachte heeft geen strafblad en zit op school, waar hij over het algemeen goed presteert. Ook zijn er geen problemen thuis. Een taakstraf zal de verdachte helpen zijn focus terug te halen en te richten op zijn school en zal recidive voorkomen. De rechtbank verlaagt het toe te kennen smartengeld naar een bedrag van € 750,- op basis van de op zitting gebleken feiten en omstandigheden en naar maatstaven van redelijkheid & billijkheid. Aangezien verdachte het feit heeft gepleegd met mededaders, zijn zij allen in beginsel samen geheel aansprakelijk.

De rechtbank verklaart de verdachte strafbaar en veroordeelt hem tot voorwaardelijke jeugddetentie voor 2 weken, een onvoorwaardelijke werkstraf van 40 uur en leerstraf van 20 uur alsmede tot betaling van € 187,50 aan immateriële schade.