ECLI:NL:RBOVE:2022:81 (Verval opeisbaarheid borgsom)

Rechtbank Overijssel, 12 januari 2022, Verval opeisbaarheid borgsom
(ECLI:NL:RBOVE:2022:81)

Essentie

De ouders van gedaagden hebben zich borg gesteld voor een overeenkomst van geldlening tussen gedaagden en eiser. Volgens eiser zijn gedaagden tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, omdat zij een nieuwe lening bij een derde zijn aangegaan. Hierdoor is de borgsom direct opeisbaar geworden. Gedaagden betwisten dat zij tekortschieten in de nakoming. De vraag in deze zaak is of eiser de ouders kan aanspreken tot betaling van de borgsom.

Rechtsregel

In artikel 8 van de overeenkomst van borgtocht staat een verval van recht bij geschil beschreven. Eiser heeft niet binnen één jaar het geschil aan gedaagden aanhangig gemaakt, waardoor het recht van eiser tot vordering van de borgsom vervalt.

Inhoud vonnis

Feiten
– Op 10 maart 2016 zijn gedaagden en eiser een overeenkomst tot geldlening aangegaan. Hierin is onder andere opgenomen dat gedaagden geen verplichtingen tegenover andere geldschieters aan mogen gaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van eiser, en dat wanneer er een geschil is, dit eerst voorgelegd wordt aan een mediator voordat de rechter erbij betrokken wordt.
– Op 23 maart 2016 hebben de ouders van gedaagden zich door middel van een overeenkomst van borgtocht borg gesteld voor een deel van het bedrag van de geldlening. In deze overeenkomst is opgenomen dat een geschil ten aanzien van een bepaalde rechtsvordering binnen één jaar na het ontstaan van de rechtsvordering aanhangig moet worden gemaakt.
– Bij brief van 25 september 2017 heeft eiser gedaagden in gebreke gesteld en aanspraak gemaakt op de volledige aflossing van de geldlening per 10 maart 2018, nadat gedaagden een nieuwe lening van derden hebben betrokken, wat in strijd is met de overeenkomst van geldlening.
– Nadat gedaagden de geldlening op 10 maart 2018 nog niet hebben afgelost, heeft eiser de ouders van gedaagden meermalen gesommeerd tot betaling van de gehele borgsom, op grond van de overeenkomst van borgtocht.

Oordeel rechtbank
De ouders van gedaagden beroepen zich op artikel 8 van de overeenkomst van borgtocht en stellen dat het recht van eiser is vervallen nu hij niet binnen één jaar het geschil aan gedaagden aanhangig heeft gemaakt. Eiser stelt dat artikel 8 op meerdere manieren geïnterpreteerd kan worden. De rechtbank legt het artikel uit op basis van het Haviltex-arrest: Aan de argumentatie van eiser, dat hij artikel 8 niet goed had begrepen en daarom niet wist waar hij voor had getekend, gaat de rechtbank voorbij. Het was in dergelijk geval aan eiser om zich hierover te laten adviseren en uitleg te vragen. Volgens de rechtbank is er in het artikel duidelijk te zien dat de bedoeling van partijen is geweest dat een geschil binnen één jaar aanhangig moet worden gemaakt bij de rechtbank, op straffe van een verval van recht.

Vervolgens moet worden beoordeeld wanneer de gestelde rechtsvordering is ontstaan en wanneer deze aan eiser is bekendgemaakt. Nadat er niet was gereageerd op de ingebrekestelling door gedaagden, is er door eiser op 3 en 22 april 2020 brieven verstuurd naar de ouders van de gedaagden waarin de borgsom opgeëist werd. Op 3 april is dus de gestelde rechtsvordering ontstaan. Volgens artikel 125 lid 1 Rv is een geding aanhangig vanaf het moment van dagvaarding. Eiser stelt dat de ingebrekestelling als dagvaarding gezien kon worden, maar de rechtbank volgt dit niet. Bovendien is de ingebrekestelling naar andere personen gestuurd dan de rechtsvordering van de borgsom.

Op grond van deze overwegingen worden de vorderingen van eiser afgewezen.