ECLI:NL:RBOVE:2021:4065 (Medeplegen observatieklus)

Rechtbank Overijssel, 1 november 2021, Medeplegen observatieklus
(ECLI:NL:RBOVE:2021:4065)

Essentie

Verdachte heeft zijn zwager meerdere keren benaderd om vertrouwelijke informatie uit het politiesysteem te raadplegen en die aan hem te geven. Hij deed daarbij alsof hij deze informatie opvroeg omdat hij bijvoorbeeld een verdacht voertuig in zijn straat zag staan. Uit onderzoek bleek dat hij deze vertrouwelijke informatie deelde met iemand anders. Daarnaast heeft de man geprobeerd zijn zwager om te kopen.

Rechtsregel

Ten laste gelegd is dat verdachte de feiten samen met twee medeverdachten pleegde. Voor medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met anderen.Die kwalificatie is gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Bij de beoordeling dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Inhoud

De rechtbank stelt vast dat blijkt dat medeverdachte 2 aan verdachte had gevraagd om iemand ‘van de observatiepolitie’. Daaruit blijkt een politieambtenaar de observatieklus zou moeten uitvoeren. Dat medeverdachte 1 de hoedanigheid van politieambtenaar had was dus de enige reden dat hij werd gevraagd voor de observatieklus. Het is algemeen bekend dat de kans op een geslaagde observatie groter wordt als zoveel mogelijk informatie over de te observeren subjecten bekend is. Ook met het oog op veiligheid is informatie van groot belang. Voor het verkrijgen van specifieke informatie is het politiesysteem geschikt. Daarin staat informatie die alleen door politieambtenaren, zoals medeverdachte 1, is te raadplegen. Daarbij komt dat in de kast van medeverdachte 1 in het politiebureau het briefje is aangetroffen met daarop: ‘is er een deal OM-jvdl’. Medeverdachte 1 heeft verklaard dat hij dit briefje bij een restaurant van medeverdachte 2 heeft gekregen. Medeverdachte 1 heeft verklaard dat het briefje op dat moment ter sprake is gekomen. Daardoor oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte wist van de inhoud van het briefje. Er valt niet in te zien hoe deze vraag van medeverdachte 2 door medeverdachte 1 beantwoord zou kunnen worden door een observatie en het plaatsen van een GPS tracker. Het kan daarom niet anders dan dat medeverdachte 2 deze opdracht via verdachte bij medeverdachte 1 heeft neergelegd omdat medeverdachte 1 toegang had tot de politiesystemen. In opdracht van medeverdachte 2 was noodzakelijk dat medeverdachte 1 het politiesysteem zou bevragen. Daarmee is bewezen dat medeverdachte 2 medeverdachte 1 een geldbedrag heeft aangeboden om hem te bewegen de politiesystemen te raadplegen.

De rechtbank oordeelt dat de rol van verdachte kan worden gekwalificeerd als ‘tussenpersoon’. Uit het dossier komt naar voren dat verdachte intensief heeft samengewerkt met medeverdachte 2 bij het benaderen van medeverdachte 1 met het oogmerk hem in zijn bediening politiesystemen te doen bevragen en informatie te delen. Verdachte heeft nauwe en intensieve contacten onderhouden met medeverdachte 2 en medeverdachte 1. Hij heeft beide partijen niet alleen met elkaar aan tafel gebracht maar heeft tevens beide ontmoetingen bijgewoond en heeft gezorgd voor de overdracht van geld en peilbakens. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan de omkoping en kan hij als medepleger van feit 2 worden aangemerkt. De rechtbank legt daarom een gevangenisstraf van zes maanden op.