ECLI:NL:RBOVE:2019:3124 (Cymbal)

Rechtbank Overijssel, 4 september 2019, Cymbal-zaak
ECLI:NL:RBOVE:2019:3124

Essentie
In deze zaak zijn twee broers veroordeeld tot 5 en 6 jaar gevangenisstraf voor het jarenlang witwassen van in totaal $ 320 miljoen op Curaçao en het feitelijk leiding geven aan oplichting en het vervalsen van documenten, die door de in de tenlastelegging genoemde rechtspersonen zijn gepleegd.

Deze zaak heeft betrekking op de verkoop van contante dollars door verdachten (en medeverdachten) aan Venezolanen en is aan het licht gekomen doordat de ING Bank melding heeft gemaakt van ongebruikelijke transacties op een bankrekening bij de Financial Intelligence Unit (FIU). De ING vond de transacties qua aantallen en bedragen niet passen bij de aard en doelstelling van de onderneming. Naar aanleiding hiervan heeft ING vragen gesteld, die door een medeverdachte zijn beantwoord. Omdat dit geen bevredigende antwoorden opleverde, deed ING melding aan de FIU. Tussen het Openbaar Ministerie en de verdachten was een overeenkomst gesloten, waarin was afgesproken dat verdachten in ruil voor hun medewerking een lagere straf zouden krijgen. De rechtbank zet een streep door deze overeenkomst en oordeelt dat de afgesproken lage strafeis op geen enkele wijze recht doet aan de aard en ernst van de feiten.

Rechtsregel
Kan de rechtbank bij de strafoplegging een hogere straf opleggen, dan door het OM wordt gevorderd, en hiermee voorbijgaan aan hetgeen in overeenkomst tussen het OM en de verdachten is afgesproken? De rechtbank oordeelt dat zij geen partij is bij de overeenkomst en er in die zin dus ook niet aan gebonden is, maar dat de rechtbank haar ogen niet kan en wil sluiten voor het bestaan en de inhoud van de overeenkomst. De belangrijkste reden hiervoor is dat er afspraken zijn gemaakt voor het indienen van een wijziging tenlastelegging, waarmee de grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting wordt beperkt. Dit heeft gevolgen voor het wettelijk strafmaximum waar de rechtbank aan gebonden is. Voorts dwingt de jurisprudentie van de Hoge Raad tot een nadere motivering indien de rechtbank een hogere straf oplegt dan geëist. In die zin is de rechtbank gebonden aan de overeengekomen strafeis.

Inhoud arrest
Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen, valsheid in geschrift en oplichting. Het OM heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de reeds in voorarrest doorgebrachte periode, met een proeftijd van drie jaren.

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte. Verdachte heeft samen met anderen gedurende een lange periode zeer aanzienlijke geldbedragen witgewassen. Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging in plaats van gewoontewitwassen, schuldwitwassen ten laste gelegd. De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen had kunnen worden dat verdachte opzet had op het witwassen en tezamen en in vereniging met zijn mededaders van witwassen een gewoonte heeft gemaakt. Door aldus te handelen heeft verdachte er aan meegewerkt dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie werden onttrokken. Dit vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Verdachte heeft louter uit winstbejag gehandeld, zonder zich rekenschap te geven van de maatschappelijke gevolgen van zijn handelswijze. Om deze reden doet de straf, zoals geëist door het OM, op geen enkele wijze recht aan de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank ook rekening met hetgeen wordt nagestreefd met een straf. De belangrijkste strafdoelen zijn in dit geval vergelding, algemene preventie en speciale preventie. De rechtbank overweegt dat met name het doel van algemene preventie in deze strafzaak op gespannen voet staat met de hiervoor genoemde overeenkomst.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de ernst van de feiten, de zeer grote schaal waarop deze feiten zijn gepleegd, de lange periode waarin verdachte zich telkens opnieuw aan strafbare gedragingen schuldig heeft gemaakt en het professionele en georganiseerde karakter van de feiten, als uitgangspunt oplegging van een gevangenisstraf van zeven jaren.

De rechtbank heeft bij de bepaling van dit uitgangspunt ook gelet op de straffen die voor soortgelijke feiten door rechters plegen te worden opgelegd, waarbij het in die vonnissen en arresten gaat om lagere witwasbedragen dan in onderhavig geval, en het signaal dat daarvan ook uit het oogpunt van speciale en algemene preventie dient uit te gaan.

Wat betreft de ernst van het feit merkt de rechtbank op dat het OM bij haar strafeisen zelden uitgaat van de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, die overigens boven het miljoen een gevangenisstraf van 2 jaren als ondergrens noemen. De doorgaans door het OM gehanteerde richtlijn geeft bij een witwasbedrag van een miljoen als uitgangspunt een gevangenisstraf van 48 maanden, bij gewoonte te verhogen met eenderde, en daarboven substantieel te verhogen tot het strafmaximum. In dit licht bezien is de (overeengekomen) strafeis van het OM niet passend.

De rechtbank acht in de onderhavige zaak de oplegging van een gevangenisstraf van vijf jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Daarnaast wordt verdachte voor de duur van vijf jaren ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van financieel dienstverlener.