ECLI:NL:RBOBR:2022:3005 (Vrouw wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan doodslag)

Rechtbank Oost-Brabant 25 juli 2022, Vrouw wordt vrijgesproken van medeplichtigheid aan doodslag, maar veroordeeld voor vier andere feiten
(ECLI:NL:RBOBR:2022:3005)

Essentie

Aan verdachte worden vijf feiten ten laste gelegd, namelijk doodslag, medeplichtigheid bij diefstal, het onder ede afleggen van een valse verklaring, opzetheling van goederen en medeplegen van het wegwerken van sporen. De verdachte vrouw uit Rijen wordt niet veroordeeld voor medeplichtigheid bij het doden van het slachtoffer, de overige vier feiten zijn wel bewezen.

Rechtsregel

Doodslag wordt strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Medeplichtigheid aan een misdrijf wordt vervolgens strafbaar gesteld in artikel 48 Sr. Aan verdachte wordt ten laste gelegd dat zij een valse verklaring onder ede heeft afgelegd, dit wordt meineed genoemd en is strafbaar gesteld in artikel 207 Sr. Opzetheling houdt in dat verdachte in het bezit is van een goed, terwijl zij op de hoogte was dat dit goed door een misdrijf is verkregen. Dit wordt strafbaar gesteld in artikel 416 Sr. Tenslotte wordt verdachte verdacht van medeplegen, genoemd in artikel 47 Sr. Medeplegen is een andere vorm van bijdragen aan een misdrijf dan medeplichtigheid. Voor medeplegen is een ‘nauwe en bewuste samenwerking’ nodig, terwijl voor medeplichtigheid sprake dient te zijn van het ‘opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van een misdrijf’. De rol van een medeplichtige is dan ook veel minder klein dan de rol van een medepleger.

Inhoud

Feit 1

In februari 2020 spreekt de vriend van verdachte (medeverdachte) af met het slachtoffer met het plan om hem te beroven. De eerste keer dat hij afspreekt met het slachtoffer, kan hij de portemonnee van het slachtoffer niet vinden, waardoor de diefstal niet plaats kan vinden. De volgende morgen vraagt het slachtoffer het nummer van de medeverdachte zodat ze nog eens af kunnen spreken. Medeverdachte geeft hierop het nummer van verdachte. Zij doet zich voorafgaand aan de tweede date voor als medeverdachte en verleent daarbij haar hulp aan het plegen van het misdrijf. De vriend van verdachte slaat tijdens de afspraak het slachtoffer met een stuk hout en doodt hem met een mes. Vervolgens verlaat hij de plaats delict met de portemonnee van het slachtoffer. Verdachte was ten tijde van de afspraak op de hoogte van het plan van haar vriend. Uit het berichtenverkeer voorafgaand aan het misdrijf blijkt niet dat er oogmerk was op het doden van het slachtoffer. Daarom is geen sprake van doodslag, waardoor verdachte niet strafbaar gesteld kan worden voor medeplichtigheid daaraan.

Feit 2

Wel blijkt uit het voorgaande dat verdachte opzet heeft gehad op het plegen van de diefstal en daarbij ook behulpzaam is geweest.

Feit 3

Als derde feit wordt aan verdachte meineed ten laste gelegd. Zij heeft in een verklaring namelijk verklaard dat zij geen weet had van de betrokkenheid van medeverdachte bij de dood van het slachtoffer. De verdediging bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad bij het afleggen van een valse verklaring. Er zou sprake zijn van een onherstelbaar vormverzuim en verdachte moet daarom worden vrijgesproken volgens de verdediging. Verdachte is tijdens het verhoor van medeverdachte gehoord als getuige over haar betrokkenheid bij de strafbare feiten. Op dat moment werd zij nog niet gezien als verdachte. Zij is daarbij geconfronteerd met bewijsmiddelen en er is opgemerkt dat ook verdachte betrokken lijkt te zijn bij het misdrijf. Zij is voorafgaand aan deze verdenkingen niet gewezen op de rechten die een verdachte toekomen. Dit vormverzuim is onherstelbaar.

Feit 4

Het vierde feit acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen nu verdachte wist dat medeverdachte geld ging stelen en nu zij daarbij ook behulpzaam was. Een deel van de buit is daarna naar verdachte gegaan en zij wist dat dit van een misdrijf afkomstig was.

Feit 5

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zij samen met medeverdachte goederen in brand heeft gestoken. Medeverdachte heeft tijdens zijn proces verklaard dat hij de schoenen, portemonnee en kleding die verband hielden met de diefstal heeft verbrand. Ook dit feit is wettig en overtuigend bewezen.

Conclusie

De rechtbank komt tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte schuldig is aan feit 2 tot en met 5.

De rechtbank heeft er rekening mee gehouden dat de opzet van verdachte was gericht op de diefstal en niet op de daaropvolgende doodslag. Verdachte heeft daarentegen wel meegeholpen aan het plan en heeft later geprofiteerd van de buit. De gepleegde meineed zal niet bij de te bepalen straf worden betrokken. Alles bij elkaar opgeteld acht de rechtbank een gevangenisstraf van negen maanden passend en geboden. Daarbij wordt een maatregel van schadevergoeding van 25.000 euro opgelegd.