ECLI:NL:RBOBR:2022:1218 (Veroordeling voor klap tijdens festival)

Rechtbank Oost-Brabant, 4 april 2022, Veroordeling voor klap tijdens festival
(ECLI:NL:RBOBR:2022:1218)

Essentie

Een 29-jarige professioneel kickbokser uit Eindhoven heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door tijdens een festival iemand op zijn gezicht te slaan. Er zou sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet en de verdachte heeft geen geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kunnen doen. Als gevolg hiervan is hij door de rechtbank Oost-Brabant veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk. Verder moet hij een schadevergoeding van ruim € 36.500 betalen aan het slachtoffer.

Rechtsregel

In onderhavige kwestie dient te worden vastgesteld of sprake was van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank oordeelt dat geen sprake was van boos opzet, maar dat de kans dat het slachtoffer onder deze omstandigheden door de harde stomp in zijn gezicht zwaar lichamelijk letsel zou oplopen naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Te meer omdat verdachte een getraind vechtsporter is en daardoor geoefend is in de techniek om iemand zo hard mogelijk te raken. Het met een gebalde vuist hard in het gezicht stompen vanuit een hoek waardoor het slachtoffer deze stomp niet zag aankomen en zich daartegen niet kon verweren, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Uit het voorgaande volgt dat sprake is van voorwaardelijk opzet en acht de rechtbank het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Verder dient er gekeken te worden naar de vraag of verdachte een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer kan doen.  De enkele omstandigheid dat de andere jongens die tegenover zijn vriend stonden een agressieve lichaamstaal hadden is onder deze omstandigheden onvoldoende om te kunnen spreken van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Er was geen aanstalten om aan te vallen. De rechtbank stelt vast dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Als die situatie er wel zou zijn geweest, dan zou de reactie van verdachte niet voldoen aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Hij had namelijk ook een minder ingrijpend middel kunnen kiezen zonder een aanmerkelijke kans op lichamelijk letsel.

Inhoud vonnis

In november 2019 deelde de verdachte tijdens een festival in Eindhoven met zijn vuist een stomp uit aan een man. Als gevolg hiervan brak het slachtoffer zijn oogkas, jukbeenderen en neus en liep blijvende oogschade op aan één oog waardoor hij blind is. Verdachte wordt beschuldigd van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dan wel mishandeling waardoor het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

De verdediging stelt dat de verdachte vrijgesproken dient te worden. Volgens de verdediging kan namelijk niet worden vastgesteld – op basis van de bewijsmiddelen – hoe hard de verdachte sloeg en ook niet dat hij doelbewust mikte op het oog van het slachtoffer. Hieruit zou volgen dat er bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in voorwaardelijke zin. Daarnaast zou er geen sprake zijn van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel en het bewust aanvaarden van die kans. Volgens de verdediging zou het feit dat de verdachte actief is als kickbokser hier niets aan afdoen. De verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer. Een vriend van de verdachte werd namelijk aangevallen waardoor de verdachte hem wilde beschermen tegen dit onmiddellijk dreigende geweld. Dit zou duiden op een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Volgens de verdediging zou het geven van één klap redelijk zijn in die situatie. Een geslaagd beroep op de rechtvaardigingsgrond noodweer zou verdachte dus moeten toekomen.

De rechtbank Oost-Brabant kan zich niet vinden in de stellingen van de verdediging. De verdachte gaf onverwachts een stomp in het gezicht van het slachtoffer, die de klap niet zag aankomen en zich dus niet kon verweren. Uit het forse letsel blijkt dat de klap met kracht werd gegeven. Er zou geen sprake zijn van boos opzet, maar de aanmerkelijke kans dat zo’n harde klap, in het gezicht, zou leiden tot zwaar letsel bij het slachtoffer was aanwezig. Het gaat immers om het gezicht waarin zich vitale lichaamsdelen bevinden zoals het oog.  Daar komt bij dat de verdachte een professioneel kickbokser is en daardoor geoefend is in de techniek om iemand zo hard mogelijk te raken. Het met een gebalde vuist hard in het gezicht stompen vanuit een hoek waardoor het slachtoffer deze stomp niet zag aankomen en zich daartegen niet kon verweren is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bewerkstelligen van zwaar lichamelijk letsel, dat hieruit volgt dat verdachte die aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. Uit het voorgaande volgt dat er sprake is van voorwaardelijk opzet en de rechtbank acht het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Volgens de rechtbank was er geen sprake van een noodweersituatie. De verdachte verklaarde dat hij zijn vriend een klap op de borst van het latere slachtoffer zag geven, maar dat die man daar niet op reageerde. Dat er anderen om hem heen stonden die een agressieve lichaamstaal hadden is in juridische zin onvoldoende om te spreken van een situatie waarin de verdachte een klap mocht uitdelen ofwel een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Het slachtoffer en zijn vrienden maakten immers geen aanstalten om daadwerkelijk aan te vallen. Daar komt bij dat als de verdachte wel een reden had gehad om in te grijpen, hij ook zijn vriend had kunnen terugtrekken of het slachtoffer een duw had kunnen geven (een minder ingrijpend middel). De reactie van de verdachte voldoet dus niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.