ECLI:NL:RBOBR:2021:608 (Politiemol)

Rechtbank Oost-Brabant 19 februari 2021, Politiemol
(ECLI:NL:RBOBR:2021:608)

Essentie

Een oud-politieman uit Weert, die in de media ook wel bekend staat als de ‘politiemol’, moet ruim € 64.000 aan de Staat betalen. Volgens de rechtbank Oost-Brabant haalde hij dit bedrag als winst uit zijn illegale praktijken, waaronder schending van ambtsgeheimen, computervredebreuk, omkoping en witwassen van crimineel geld.

Rechtsregel

Op grond van artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafrecht kan op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit is mogelijk indien aannemelijk is dat het misdrijf (of andere strafbare feiten) op enigerlei wijze ertoe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Inhoud arrest

In deze zaak gaat het om een oud-politieman uit Weert, in de media ook wel bekend als de ‘politiemol’, die tussen augustus 2011 en september 2015 regelmatig in politiesystemen zocht naar informatie over personen en lopende onderzoeken. Deze vertrouwelijke gegevens had hij niet voor zijn werk nodig, maar deelde deze om anderen van buiten de politieorganisatie te waarschuwen en op de hoogte te stellen van die onderzoeken en ingezette opsporingsmiddelen. De rechtbank veroordeelde deze man tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor onder meer schending van ambtsgeheimen, computervredebreuk, omkoping en witwassen van crimineel geld. Bovendien nam hij deel aan een criminele organisatie en had hij twee valse paspoorten in bezit.

Op grond van deze veroordeling kan aan de oud-politieman de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan hij is veroordeeld of uit andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De vraag die in deze zaak behandeld wordt, is dus hoeveel winst de man heeft behaald uit deze illegale praktijken en hoeveel hij daarvan moet betalen aan de Staat ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uit financieel onderzoek blijkt dat de verdachte in de desbetreffende periode ruim € 77.000 méér heeft uitgegeven dan dat hij legaal in bezit kon hebben. De verdachte verklaart hierover dat hij € 60.000 van zijn ex-partner had geleend en daarnaast nog een  bedrag kreeg van een investeerder. De rechtbank verwerpt dit verhaal vanwege gebrek aan bewijs. Wel stelt de rechtbank vast dat de verdachte nog andere legale inkomsten had waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de verkoop van zijn auto, kwitanties en de aanschaf van een laptop en telefoon.

De rechtbank stelt de totale illegale winst vast op ruim € 67.000. Daar gaat nog 5% vanaf, omdat het Openbaar Ministerie de redelijke termijn waarbinnen het deze ontnemingszaak voor de rechter had moeten brengen, fors overschreed. Al met al moet de verdachte daarom € 64.000 aan de Staat betalen.