ECLI:NL:RBNNE:2022:1250 (Beroep op noodweer slaagt niet)

Rechtbank Noord-Nederland 21 april 2022,  Beroep op noodweer slaagt niet
(ECLI:NL:RBNNE:2022:1250)

Essentie

De rechtbank verwerpt in deze zaak het beroep op noodweer en noodweerexces omdat geen sprake is van een noodweersituatie. De verdachte wordt veroordeeld voor doodslag en krijgt een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vijftien jaar.

Rechtsregel

Aan de verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij volgens artikel 289 Sr het slachtoffer opzettelijk en met voorbedachten rade met een vuurwapen van het leven heeft beroofd. Subsidiair wordt hem doodslag op grond van artikel 287 en 288 Sr ten laste gelegd. Voor moord op grond van artikel 289 Sr is het bestanddeel ‘met voorbedachten rade’ een vereiste, voor doodslag niet.

De verdediging heeft betoogd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer en dat als de rechter van oordeel is dat er disproportioneel gehandeld is, verdachte een beroep kan doen op noodweerexces.

Inhoud

De verdachte heeft tijdens de zitting verteld wat er is voorgevallen. Het slachtoffer had drie weken voor zijn dood een conflict met verdachte over een Rolex, drie goudstaven en een groot geldbedrag. In deze weken worden tevens bedreigingen over WhatsApp gestuurd door slachtoffer naar verdachte. Uiteindelijk spreken zij af om te onderhandelen over de goederen. Ze spreken af dat slachtoffer verdachte op het station ophaalt. Verdachte heeft ter plaatse meteen de Rolex en het goud teruggegeven en is daarna als bestuurder van de auto naar een camping gereden terwijl slachtoffer naast hem zat.

Als ze bij de camping aankomen ziet verdachte dat het slachtoffer zijn Rolex af doet en hij schrikt. Hij weet namelijk dat als het slachtoffer zijn Rolex afdoet, hij iets gaat doen waarvan hij bang is dat deze kapot gaat. Verdachte weet op dat moment dat er iets niet klopt. Als hij nogmaals naar het slachtoffer kijkt, ziet hij dat hij een wapen vast heeft. Hij laat het wapen een beetje rondslingeren en heeft het losjes vast, terwijl hij bedreigingen uit jegens verdachte. Na enkele meters rijden wil slachtoffer uitstappen en verdachte stopt de auto. Slachtoffer loopt om de auto heen en verdachte denkt dat het slachtoffer op dat moment munitie in het wapen heeft gedaan. Als het slachtoffer terug is heeft hij het wapen op de verdachte gericht en raakt verdachte in paniek. Er ontstaat een worsteling waarin verdachte het wapen om weet te draaien. Het slachtoffer duikt op verdachte om het wapen terug te pakken, maar op dat moment schiet verdachte zo vaak mogelijk op het slachtoffer.

De raadsman van verdachte heeft naar aanleiding van dit verhaal bepleit dat sprake was van noodweer. Het feit dat verdachte daarbij bedreigd werd met een doorgeladen vuurwapen heeft voor doodsangsten gezorgd. Dat is een verklaring voor het disproportionele handelen van verdachte.

De officier van justitie betoogt echter dat de verklaringen van verdachte niet bewezen kunnen worden aan de hand van objectieve feiten. Zo verklaart verdachte bijvoorbeeld dat hij de Rolex en de goudstaven direct bij het station heeft afgegeven, maar zijn de goederen nooit meer teruggevonden. Verder blijkt uit de zoekgeschiedenis van verdachte dat hij heeft gezocht op afbeeldingen van goudstaven en grote geldbedragen. Hieruit zou kunnen blijken dat hij deze naar het slachtoffer wilde sturen.

Daarnaast blijkt uit de gegevens van de slagboom van de camping dat verdachte en slachtoffer om 19:07 uur de camping op reden. Uit de historische gegevens van beide telefoons komt naar voren dat ze om 19:08 uur ontgrendeld waren. Volgens de verklaring van verdachte zou het slachtoffer op dat moment het wapen al in handen moeten hebben, wat onmogelijk lijkt nu hij ook twee telefoons vast heeft.

Ten slotte zet de officier van justitie ook vraagtekens bij het beroep op noodweer. Voor een beroep hierop moet sprake zijn van een onmiddellijk dreigend gevaar. Uit het verhaal van verdachte kan worden opgemaakt dat hiervan, door het wapen in combinatie met de bedreigingen, sprake was. Daarnaast moet de vraag gesteld worden of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, het zogenaamde subsidiariteitsvereiste. In deze situatie had de verdachte zich kunnen onttrekken aan de aanval. Hij verklaart namelijk dat hij zelf in de auto reed op het moment dat het slachtoffer het wapen ‘losjes vast had’. De officier vraagt zich samen met de rechtbank af waarom verdachte op dat moment niet is weggereden. Door dit niet te doen en af te wachten tot het slachtoffer weer met zijn pistool in de auto zou plaatsnemen, komt zijn beroep op noodweer hem niet toe. De rechtbank verwerpt het verweer op noodweer, waardoor ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Conclusie

De rechter spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem primair ten laste is gelegd. Verder verklaart hij het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen en acht hij de verdachte op dat punt strafbaar. De rechter veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien jaren.