ECLI:NL:RBNNE:2021:671 (Ruinerwold)

Rechtbank Noord-Nederland, 4 maart 2021, Ruinerwold
(ECLI:NL:RBNNE:2021:671)

Essentie

Verdachte wordt volgens de tenlastelegging verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan  gijzeling, wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling van zijn negen kinderen; aan seksueel misbruik van twee van hen vóór hun zestiende jaar; aan witwassen; en aan  wederrechtelijke vrijheidsberoving van een volwassen man en tevens medeplegen hiervan.

Rechtsregel

De verdediging heeft gesteld dat op basis van de rapportage van het Pieter Baan Centrum en de verklaringen van de deskundigen kan worden geconcludeerd dat verdachte aan een zodanige ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt, dat hij niet in staat is de vervolging te begrijpen. Verdachte is niet in staat om effectief te participeren in zijn zaak. Zo kan verdachte geen eerlijk proces krijgen en is aan de strekking van artikel 16 Sv voldaan, waardoor de vervolging dient te worden geschorst. Daarnaast heeft de verdediging aangegeven dat nu er geen uitzicht is op herstel van verdachte, tevens de vervolging te staken. In dit verband heeft zij verzocht om naast de schorsing van de vervolging, primair het openbaar ministerie niet- ontvankelijk te verklaren in de verdere vervolging en subsidiair te verklaren dat de zaak is geëindigd als bedoeld in artikel 29f Sv.

Inhoud

Uit stukken is gebleken dat verdachte in 2016 een beroerte heeft gehad, met als gevolg dat de hersenen niet meer goed functioneren, hij halfzijdig verlamd is en zijn gezichts- en spraakvermogen zijn aangetast. Centraal staat dan ook de vraag of verdachte “fit to stand trial” is, en als de vraag met nee moet worden beantwoord, wat daarvan de consequentie moet zijn. Deze vraag is ter terechtzitting aan de orde gesteld door de verdediging. De rechtbank heeft opdracht gegeven tot het uitvoeren van neurologisch en neuropsychologisch onderzoek, voorafgaand aan opname van verdachte in het Pieter Baan Centrum. Verdachte heeft geweigerd aan een dergelijk onderzoek mee te werken.
Volgens rapportages van deskundigen en wat zij ter terechtzitting hebben verklaard, is de vorm van de stoornis waaraan verdachte lijdt, zeer ernstig en heeft de beroerte het taalbegrip- en de productie van verdachte aangetast. Hij is niet in staat te spreken. Zijn begrip van zowel geschreven als gesproken taal is ernstig verstoord. Ook de mogelijkheid tot schrijven is aangetast. Verdachte kan woorden niet zelf schrijven of typen.

Gelet op de testresultaten en de bij verdachte geconstateerde hersenbeschadiging, concluderen de deskundigen dat niet valt te controleren wat verdachte precies begrijpt en of de antwoorden die hij geeft, betrekking hebben op de vragen die hem worden gesteld. Verdachte is mogelijk wel in staat te begrijpen dat hij wordt berecht, maar om de rechtsgang procesmatig en inhoudelijk te begrijpen, kan hij niet opbrengen. De deskundigen schatten in dat verdachte niet in staat zal zijn zich tegen de vervolging te verweren.

Gezien voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte sprake is van zodanige fysieke en cognitieve beperkingen, dat hij niet in staat is om het strafproces te volgen of in voldoende mate de eventuele gevolgen van dit proces te doorzien. Door zijn beperkingen is verdachte ook niet in staat de zaak met zijn raadsman te bespreken en de verdedigingsstrategie te bepalen. Verdachte is  onvoldoende in staat te communiceren en kan de processtukken niet inlezen. Bovendien kan hij tijdens de terechtzitting niet naar voren brengen wat zijn beleving van de feiten is en wat hij van belang acht voor zijn verdediging. Gelet op de aard, omvang en complexiteit van deze zaak, is het vorenstaande een belemmering voor het voeren van de verdediging.

Deskundigen hebben gerapporteerd dat deze belemmering niet kan worden gecompenseerd. De rechtbank concludeert dat het voor verdachte onmogelijk is om effectief in het strafproces te verschijnen. Met andere woorden, verdachte is “unfit to stand trial”. Voortzetting van de vervolging onder deze omstandigheden zal op grond van jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM opleveren.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte wordt verklaard. Dit betekent dat de rechtbank niet toekomt aan de beoordeling van het namens verdachte gedane verzoek tot schorsing van de vervolging als bedoeld in artikel 16 Sv en beëindiging van de zaak op basis van artikel 29f Sv.