ECLI:NL:RBNNE:2021:3599 (Ontbinding na poging tot doodslag collega en brandstichting)

Rechtbank Noord-Nederland, 18 augustus 2021, Werknemer veroordeeld tot dertien jaar gevangenisstraf wegens poging tot doodslag en brandstichting, ontbinding op de g-grond
(ECLI:NL:RBNNE:2021:3599)

Essentie

Werknemer (A) is werkzaam bij de gemeente als applicatiebeheerder. Tussen A en zijn vrouwelijke collega (C) is een relatie ontstaan. Deze relatie is in conflict geëindigd. Het conflict was gegroeid nadat C aan haar leidinggevende had gemeld dat zij door A was mishandeld, gemanipuleerd en met de dood bedreigd. Na gesprekken met de leidinggevende en de wijkpolitie zijn er werkafspraken gemaakt zodat C en A elkaar niet meer hoefden te zien. Een aantal maanden daarna is het conflict geëscaleerd en heeft A in de nacht C in haar woning zwaar mishandeld en heeft daar ook brand gesticht. C is in kritieke toestand naar het ziekenhuis afgevoerd.

De gemeente als werkgever heeft A geschorst toen hij zich in voorlopige hechtenis bevond. Even later is ook zijn salaris stopgezet en heeft de gemeente een verzoekschrift tot ontbinding ingediend (primair op de e-grond en subsidiair op de g-grond en h-grond).

Rechtsregel

De arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. Deze gronden staan limitatief opgesomd in art. 7:669 lid 3 BW. Wanneer een werknemer verwijtbaar handelt, kan ontslag op basis van de e-grond volgen. Ook wanneer het gedrag zich niet afspeelt op de werkvloer, maar in de privésfeer, kan het de verhouding tussen de werkgever en werknemer dusdanig beïnvloeden dat voortzetting niet gevergd kan worden. De onschuldpresumptie geldt niet in het civiele recht. De rechter moet aan de hand van civielrechtelijke bewijsregels tot de overtuiging komen dat een persoon bepaalde gedragingen heeft begaan.

Inhoud arrest

De gemeente heeft haar verzoek tot ontbinding gebaseerd op drie mogelijke gronden. De kantonrechter loopt deze gronden af.

Allereerst de e-grond. Er moet sprake zijn van zodanig verwijtbaar handelen/nalaten door A dat de voortzetting van de arbeidsovereenkomst in redelijkheid niet van de gemeente gevergd kan worden. Omdat de gemeente in een eerder (ingetrokken) ontbindingsverzoek slechts de gronden g en h heeft aangevoerd, acht de rechtbank de feiten en omstandigheden van vóór het incident niet voldoende voor de e-grond. De gemeente handelt namelijk in strijd met het beginsel van rechtszekerheid door voor die feiten een andere grond toe te voegen. Doordat de gemeente het conflict heeft aangepakt, was het voor A niet kenbaar dat deze gedragingen tot het einde van de arbeidsrelatie zouden leiden.

De vraag of A zich daadwerkelijk schuldig heeft gemaakt aan de gedragingen tijdens het incident, kan de kantonrechter niet beantwoorden, aangezien het vonnis in de strafzaak nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. Omdat in hoger beroep nog anders geoordeeld kan worden, is de kantonrechter van oordeel dat deze grond niet gerechtvaardigd is.

Dan de g-grond, een zodanig verstoorde arbeidsverhouding dat het niet van de gemeente gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter is van mening dat zelfs al zou de veroordeling in hoger beroep teruggedraaid worden, dan nog is deze grond onvermijdelijk. Een weg terug naar de gemeente is uitgesloten. De arbeidsovereenkomst wordt dan ook op basis van deze grond ontbonden.

Ten slotte wordt de billijke vergoeding afgewezen. De gemeente moet wel de transitievergoeding uitbetalen.